recensie De held Jacob Mulle in Brabants Dagblad, 23 mei 2006


Schoolroman vol loerende roofdieren

door Jaap Goedegebuure


Dinsdag 23 mei 2006 - Het boek ’De held Jacob Mulle’ van Stijn van der Loo speelt zich af in een klassiek decor van de Nederlandse letteren: de middelbare school. De beroemdste schoolroman Bordewijks ’Bint’ verschijnt in de lachspiegel.

’Wie lelijk is, kan altijd nog een held worden.’ Onder dat motto begint Stijn van der Loo’s personage Jacob Mulle, een man van achter in de twintig, mislukt als laboratoriumgeleerde en vervolgens aankomend docent in de biologie, zijn relaas. Zijn geschiedenis is in meer dan één opzicht herkenbaar. Allereerst is er de plek waarop het verhaal zich afspeelt: de middelbare school. Die omgeving hoort tot de klassieke decors van de Nederlandse letteren. Van der Loo’s hoofdpersoon zit aan dat decor vastgeplakt, zoals hij ook is vastgeplakt aan zijn afwezige vader.

Onze Jacob Mulle beleeft zijn coming out als held zodra hij het perspectief van een wetenschappelijke loopbaan heeft verruild voor de doem van het leraarschap. Onbetwist hoogtepunt in zijn streven naar hogere heerlijkheid is wel dat de lokale schoolkrant hem uitroept tot Lekker Ding nr. 1. Is hij daar gelukkig mee? Allesbehalve. Vooral niet vanwege het besef dat hij ongemerkt bezig is de voetsporen van zijn vader te drukken. Want ook Mulle senior was ooit docent aan een middelbare school, en wel één van het slag dat het niet laten kan zich aan een vrouwelijke leerling te vergrijpen en terwille van haar zijn huwelijk op te breken.

In andermans kuil wil Jacob sowieso niet vallen, laat staan dat hij de put van zijn vader prefereert. En dus gaat hij de avances van de grootste seksbom onder de vrouwelijke leerlingenpopulatie angstvallig uit de weg. Om vervolgens hopeloos verliefd te worden op een weliswaar minder prominente, maar evengoed fascinerende leerlinge. Ziedaar een scenario dat het in de vaderlandse literatuur niet slecht doet, van Simon

Vestdijks ’Ivoren wachters’ tot en met ’Het rookoffer’ van Tessa de Loo en ’Hajar en Daan’ van Robert Anker.

De herkenbaarheid van ’De held Jacob Mulle’ manifesteert zich niet alleen in de amoureuze betrekkingen tussen een leraar en een leerling, maar ook in de bedrijfscultuur van het middelbaar onderwijs. Daar heersen, zoals ervaringsdeskundigen weten, de wetten van de jungle. Men beloert elkaar als roofdieren en wee degene die even niet oplet. Zelfs een betrekkelijk onschuldig vermaak als een potje zaalhockey voor leraren kan ontaarden in keihard gebikkel, met blauwe schenen en gekwetste tenen als eindresultaat. Om nog maar te zwijgen van de machtstrijd die zich in de docentenkamer afspeelt.

Als ik me niet vergis heeft Stijn van der Loo zich gevoegd naar de beroemdste schoolroman die onze literatuur rijk is: Bordewijks ’Bint’. Dat boek, over een directeur die met ijzeren hand regeert maar tenslotte ten onder gaat aan zijn eigen systeem, verschijnt hier in de lachspiegel. De dienstdoende rector is een zwatelende alcoholist die zijn onderwijskundige opvattingen presenteert als ging het om hogere kunst. De tucht die Bordewijk Bint liet preken, doet zich voor als pure anarchie. De discipline onder leraren én leerlingen ondergaat de mutatie tot willekeur en bandeloosheid. Een en ander moet wel te danken zijn aan de tijdgeest die pubers heeft veranderd in gewiekste intriganten en het docentenkorps in een slangenkuil.

Maar Van der Loo volstaat niet met een reprise van Bordewijks klassieker waarin de school op zijn kop wordt gezet en de buitenwereld ongemoeid blijft. Integendeel. Bij monde van Jacob Mulle doordringt hij ons van de eeuwenoude waarheid dat alles in het bestaan neerkomt op eten of gegeten worden.

De held beseft dat al tijdens de voorschoolse maanden die hij doorbrengt met proefnemingen in de celbiologie.

Het gekrioel van de piepkleine maar niet minder agressieve organismen onder zijn microscoop doordringt hem ervan dat we absoluut niets mogen hopen of verwachten.

Gezeten in de torenflat waar de top van de medische stand huist, ziet hij hoe de mensen zijn gereduceerd tot stippen. ’Bleke lichtvlekken als de gestorven bloedplaatjes op de bodem van mijn kweek. Het leek wel een gevangenis, zo constant was die stervensatmosfeer op dat universiteitscomplex. Je zou er gemakkelijk van uit het raam kunnen springen, ware het niet dat ze de ramen op een paar centimeter na hadden vergrendeld. Wel genoeg voor schoteltjes vergane celkweek maar niet voor een menselijk lichaam. Dat de mens een waterzak vol chemicalieën is die van het minste of geringste ontregeld raakt, dat hoefde je de biochemische afdeling van de universiteit niet te vertellen, dat was duidelijk te zien aan hoe ze die raamposten met stalen klemmen hadden verankerd.’ Wie er zo over denkt, is een cynicus, en wie eenmaal een cynicus is, zal zich nooit meer kunnen ontpoppen als held, hoeveel moeite hij ook doet. Wat dit betreft, komt Stijn van der Loo niet alleen in de buurt van Bordewijk, maar ook van diens bewonderaar W.F. Hermans en van de allergrootste cynicus onder de romanciers van de twintigste eeuw, Céline, wiens rumoerige stijl in ’De held Jacob Mulle’ af en toe bij wijze van zwakke echo te beluisteren valt.


Roman

Stijn van der Loo

De held Jacob Mulle

Querido, €15,95