Juryrapport Halewijnprijs 2006: Winnaar Stijn van der Loo
‘Wie lelijk is kan altijd nog een held worden.’
Zo opent Stijn van der Loo zijn boek De held Jacob Mulle, en zo wordt meteen de toon gezet. Een jonge man ‘achtentwintig en lelijk, de ideale vent voor het onderwijs’, zet aarzelend zijn eerste schreden zet op het pad van leraar biologie zijn op een middelbare school.
In krachtige zinnen zien wij een leefgemeenschap, beschreven als de voortdurend bewegende, pulserende en woekerende celmassa’s zoals Jacob die als student celbiologie onder zijn microscoop bestudeerde. Zie het docentencorps: ‘… een gewond stelletje, dat haarfijn aanvoelde dat het terrein verloor … en leraren als lotgenoten die hatend kijken naar hun leerlingen ‘die levendige en zorgeloze figuren die daar passeerden … met hun spannende ontluikende lijven …’ (p.17)
Mensen en massa’s met vaardige hand neergezet in mooie kleurrijke tekeningen van woord en gebaar. Een brugklas beschreven als ‘een beweeglijk zootje .. het draaide en roezemoesde zonder ophouden’ (p.50) gevolgd door de vlijmscherpe observatie van Jacob: ‘Precies de goede leeftijd voor kindsoldaten, die dertienjarigen. Fysiek onstuitbaar en sociaal nog gewetenloos genoeg om iemand achteloos open te kunnen snijden en af te slachten.’ (p. 51)
Genieten kunnen we van vele fijne steelse verbindingen en verwijzingen, maar zeer doeltreffend. ‘De wind moest zich hebben vermengd met mijn dromen’ (p. 28) zoals de woorden van de rector door Jacobs onrustige slaap hadden gejaagd in de nacht voor zijn eerste lesdag: ‘Waar de jongeren behoefte aan hebben is een Kunstenaar (met een hoofdletter)! Eentje waar ze achteraan kunnen! Een inspirator! Een held!’, Dat de ‘dakpannen’ die nacht ‘rammelden op de daken.’ is een mooie vooraankondiging van wat later nog meer op het dak zal rammelen! ‘De herfst was begonnen’. wordt grappig in het licht van een latere scène waarin Jacob zijn verliefdheid op Helena verwoordt met: ‘Ik houd van de herfst … Herfst is mijn lente geworden.’(p.112)
Zo houdt Van der Loo ons bij de les en voelen we in onze eigen benen de spierspanning van Jacob, op zijn fiets door herfstige stortbuien voortzwoegend naar zijn eerste lesdag ‘er was geen ontkomen aan, ik ging er vol doorheen!’ (p.28)
Door deze heldere en stellige schrijfstijl gaan we als vanzelfsprekend mee in de maalstroom van het leven van Jacob Mulle. Wat heel knap is, is dat de schrijver hierbij niet is vervallen in de goedkope retoriek van negativisme, die tegenwoordig haast onlosmakelijk verbonden lijkt met publicaties over het middelbaar onderwijs in Nederland. Van der Loo heeft het blijkbaar niet nodig gehad zijn gram te halen, als gefrustreerde leraar of wraakzuchtige ex-leerling, en dat leest weldadig.
Hij schrijft direct en ongenuanceerd zonder hinderlijke morele oordelen. Je moet wel bijna gaan houden van al die personages met hun gevoeligheden en verlangens. En hoe deze verpakt worden in bravoure, schichtigheid of wat voor gedrag dan ook.
Veel ruimte laat Van der Loo voor onze eigen fantasie. Hij vertelt. Punt. Oordelen mogen we zelf en dat is een van de sterkste punten van zijn verhaal.
Meegaand in de onzekere gevoelens van Jacob accepteren we zonder meer alles wat in hem opkomt. Zo is het en anders niet. ‘Dat een leraar niets van zijn vak hoeft te weten is algemeen bekend. Het gaat om heel andere dingen. ‘(p. 14) Wat voor dingen dat zijn wordt door Jacob onderzocht. Zoals in alle grote literatuur verschijnen hierbij Helpers, die Jacob ieder op hun eigen manier de weg wijzen.
Zoals Vogel, de voortdurend wijsheden rondkwetterende leraar Frans. ‘Het zijn de leraren die blijven, de leerlingen zijn slechts passanten. Als ik dat maar vast doorhad volgde de rest vanzelf. ‘Ca-ira-comme-ca-et-pas-autrement.’! (p. 15) En de toegewijde juf Engels die met het echte moedergevoel, met het verstikkende van echte liefde, alle psychologische blokkades van haar leerlingen omarmt, en die zelf iedere keer geschrokken knippert en bloost als ze het woord neemt in de rapportvergadering. ‘Overal zag ze blokkades. Die doken op uit haar cijfers in haar agenda, voldoendes of onvoldoendes, het maakte niet uit, ze zag er altijd wel iets in ….. verkrampingen, streefzucht, ouders in scheiding, noem maar op …ze was er gek op.’ (p. 15) Jacob luistert, luistert en observeert, het interesseert hem allemaal enorm! Geen lusteloosheid bij hem meer te bekennen!
Zou dan toch zijn genetisch paspoort zijn lot gaan bepalen? Het lot van zijn vader die leraar was, maar verdwenen toen Jacob twaalf was, door zijn moeder weggewist uit zijn leven?
‘Niet alles is lelijkheid en drift. Er bestaat ook kunst, bezieling, liefde! Neem mijn eigen vader. Idealisme.’ (p. 94), denkt Jacob als hij naast zijn leerling staat, de mooie Helena Schipper, die in werkelijkheid nog wel meer dingen in Jacob losmaakt dan hoogstaand idealisme(!) maar wat is werkelijkheid in het werk van Van der Loo? Ogenschijnlijk wordt hier drift met lelijkheid geassocieerd, met de lompe levenloze wetten van de natuur, die domweg onbezield en ongericht haar gang gaat. Maar het is maar net vanuit welk standpunt men iets beschouwt en dat dient men letterlijk te nemen bij Van der Loo! Eerder liet hij Jacob denken: ‘Van heel dichtbij is alles even lelijk. Onder een microscoop bijvoorbeeld, afzichtelijk wat je te zien krijgt als je welk weefsel dan ook eens even flink uitvergroot.’ (p. 8) Maar nu als leraar, staande naast de mooie Helena denkt hij: ‘Maar ik wist mijn plek. Ik hielp je. Stelde de microscoop voor je scherp op die glanzende bloeddruppel van je, de bijenkoningin onder de miezerige druppels en vlekken die je klasgenoten produceerden. Schoonheid regeert. Hoe universeel was deze les!’ (p.94)
Langzaam maar zeker begint dan het een na het ander op drift te raken volgens ijzersterke natuurwetten van de biochemie. De vraag dringt zich op of de kolkende massa’s onherroepelijk afstevenen op voorbestemde chaos en destructie of dat hierin nog een rol is weggelegd voor een Kunstenaar in dienst van Schoonheid en Universele Wetten van Idealisme?
Steeds meer diepe filosofische levensvragen van de mensheid komen naar boven. Wat is waarheid? ‘De waarheid heeft vaak maar een tint verschil met de leugen, met bedrog, zoals trots met schaamte.’ (p. 90) leren we van Jacob, terwijl hij eraan denkt hoe vroeger zijn kweek lag te vergaan en werd overwoekerd en verteerd, precies zoals hij zelf in zijn uitgestorven laboratorium door zijn ‘verlangen, drift, wanhoop en lelijkheid’ (p.90)
Subtiel, maar steeds dwingender komt het Zoon-Vader-thema aan de orde. En de zoektocht en het verlangen van een jonge man naar een echte vader, een thema dat volgens ons in de moderne literatuur niet genoeg aan de orde kan komen. En Van der Loo doet dit op meesterlijke wijze. Aan zijn vader heeft Jacob alleen nog een herinnering als een vrolijke man, als een geliefd leraar bij zijn leerlingen; volgens zijn moeder was hij een flierefluiter, ‘Hij zong altijd als-ie thuiskwam, en als-ie opstond ook.’ (p. 41) Daar kwam een einde aan toen zijn verhouding met een leerling bekend werd. ’Hij kon meteen vertrekken. ´Schoon schip’, (p. 43) zei zijn moeder en zelf vertrok ze met haar zoon naar Zeeland, waar ze de rest van haar leven alleen nog maar vooruit wilde kijken. ‘Niet omzien. Doen wat gedaan moet worden. Verstand op nul.’ (p. 43) Tegen haar zoon zei ze: ‘Zorg jij maar dat je je diploma’s haalt … We redden het niet allemaal met flierefluiten.’
Maar kan de mens zijn noodlot ontlopen? Het gemis van een vader wordt steeds duidelijker voelbaar. Zou de rector als vaderfiguur een Ware Helper kunnen zijn? Jacob werd immers door hem aangenomen juist omdat hij niet is afgestudeerd!? ‘Wat ik zoek is een Kunstenaar. Een Kunstenaar voor de klas!’ had deze geroepen bij zijn sollicitatie, ‘Een die gretig is. Die zijn pupillen kan inspireren!’ Kostelijk hoe Van der Loo hem beschrijft, deze man van grote gebaren die zijn meeste tijd doorbrengt met gesloten ogen en een fles onder handbereik; die als een visionair naar zijn eigen prachtige innerlijke beelden kijkt. Was dit geen echte leider? En hij zong! Ja, hij was ook Kunstenaar! Hij zong Schubert ‘Schicksal des Menschen, wie gleichst Du dem Wind’! (p. 8) Schitterend is de beschrijving van Jacobs ontmoeting met de rector die zigzag op zijn zeebenen de trappen beklimt tot hij hoog boven de hal uittorent als een kapitein op de brug en met zijn handen op de balustrade staat te oreren: ‘De school is een schip, Kunstenaar! Zouden haar zeilen niet moeten bollen van levensstorm, van liefdeskunst?’ Overduidelijk geïnspireerd dicht hij: ‘Schule des Menschen, wie gleichst du einem Schiff …’
Met de De held Jacob Mulle heeft Van der Loo een knap gecomponeerd literair werk afgeleverd. Boeiend blijft hij tot het einde en ook nog lang daarna. Na lezing kan men zich blijvend verdiepen in een veelheid aan thema’s en ideeën, stuk voor stuk de moeite waard. In De Galvano had hij zich al een vaardig schrijver getoond. Met deze roman schreef hij wat ons betreft een waar Kunstwerk.
In de lelijkheid van onze held regeert de schoonheid. Wie schrijftalent heeft kan niet altijd een schrijver worden. Van der Loo kan dat wel. En hij doet het. Met vaste hand. En durf. En met de gave om een Momentum te herkennen en te volgen. Daarom willen wij graag met de rector zeggen: ‘Dat is heldenwerk.’! (p.83)
Pon Kranen9 december 2006
Namens de Halewijnprijsjury 2006: Pascal Klaassen, Pon Kranen en Andrea Lion