Geluidloos, gewichtloos
Geluidloos, gewichtloos
Het is alweer september. Ik heb mij verschanst. Of nou ja, laat ik niet dramatisch doen, ik lig gewoon een boekje te lezen in bed en ik neem de telefoon niet op. Ik ben er niet, dus. Geluidloos, gewichtloos, in bed liggen en een boekje lezen. Niet dat er op dit moment een telefoon gaat, dat zou absurd zijn, om half vier 's nachts. Maar het antwoordapparaat staat evengoed van voor tot achter volgekakeld, met steeds dezelfde stem in steeds dwingender berichten, ze wil overduidelijk tot me doordringen, het valt niet langer te ontkennen. Het is begonnen sinds ze terug is van vakantie. Maar op dit moment heb ik daar dus weinig last van, ik bedoel, ik lig in bed, ik lees mijn boekje en mijn neurotisch knipperend antwoordapparaat is vanaf hier niet te zien. Veel vervelender zijn de muggen, met hun nazomerse opleving, waarvan ik er eerder deze nacht drie heb platgeslagen. Twee hadden al wat van mij gegeten zag ik aan de bloedvlekken op mijn boek. Later in het donker bleken er nog een paar rond te vliegen, minstens twee, zo te horen aan het toonhoogteverschil in hun toerental. Ik lig op hun aanvliegroute. Dus knipte ik het licht weer aan en pakte mijn boek. Of nou ja, mijn boek... Het is van de Openbare Bibliotheek. Het heeft een heerlijk gladde, harde kaft, maar aan lezen kom ik zo natuurlijk niet toe. Bovendien ben ik moe.
Ik heb een speciaal plekje in haar hart, weet ik. Dat heeft ze mij zelf verteld. Ik vind 'een plekje in je hart' net zo klinken als 'een vlekje op je long', maar ze bedoelde het natuurlijk positief. Tenminste, dat hoop ik. 'Zeg, ben je verstoppertje aan het spelen?' Dat was haar laatste bericht, heel wat bitser dan de eerste vijf, zes, er heeft zich duidelijk een temperatuurswisseling in haar stem voltrokken. Haar eerste boodschap was nog vol geluk, het straalde door het antwoordapparaat heen, ik kreeg het er vanzelf warm van. 'Jammer dat je er niet bent. Ik heb zo'n geweldige vakantie gehad. Ben zielsgelukkig. En jij? Is het nog gelukt? Met die cd's?' Mijn motto: ja zeggen. Glimlachen. Geen problemen maken. Zo'n aardige meid. Daar zou ik niet graag problemen mee hebben. Als ze me iets vraagt zeg ik gewoon: 'Jazeker. Doe ik voor je.' Het maakt niet uit wat het is. Het kan vanalles zijn. Een cassette copieren op cd, bijvoorbeeld. 'Maak je geen zorgen. Komt voor mekaar.' Binnenzweven en gewichtloos neerdalen. Een warm lichaam. Zoet bloed. Alles in de glimlach.
Ik heb haar al een tijdje niet gezien, sinds ze aankondigde op vakantie te zullen gaan met een vriend, in diens auto. Heb haar nog wel uitgezwaaid, zeg, die dag, heel vriendelijk van mij, mijn mond in zijn natste glimlach geplooid, een glimmende naaktslak, gedienstig over mijn gezicht gevlijd. Ze heeft er een handje van om haar aanbidders voor haar karretje te spannen. Het is een aardkwestie. Je moet erop bedacht zijn, want voor je het weet eindig je, om maar iets te noemen, als copieerder van cassettes op cd, aan haar opgestuurd door weer een andere slijmbal, van helemaal overzee, bandjes vol driftig gegitaar, opgenomen ergens in een nacht in een flatje in New York, denkend aan haar, volgens de vooraf gemompelde spreektekst. Ik glimlach. 'Hij heeft nog gewerkt met Jeff Buckley, hoor,' waarschuwt ze me. Aanbidders genoeg dus, ook in artistieke hoek. Thinking-of-you. Graag drie copieën. Ze voelt zich overigens snel in de steek gelaten. Die egoïsten die haar laten barsten! Net haar vader, destijds! Zoiets is niet makkelijk te compenseren. Op het laatst loop je met zakken potgrond achter haar aan door de straten van haar wijk. Dat is als ze een balkontuin gaat maken. Geen balkontuin zonder aanbidder, althans niet in aanleg. ('Aha!' roept de winkelier als we binnenstappen. 'Eindelijk eentje gevonden om te sjouwen...') Een winkelier doet zijn bek pas open als hij er wat van verwacht, een winstje of twee, dus ik haalde mijn schouders op en lachte maar wat. Drie zakken had-ie voor haar, voor de halve prijs! Die kon ze niet laten staan. Vijftien kilo. Ik droeg ze naar haar huis en ook nog de trap op, goed voor een kusje op mijn mond en, eerlijk is eerlijk, ik zweefde vervuld van een beter ik die trap weer af, een en al liefde en geluk. Stralend stond ik daarna op straat, genaaid, foeterend. De volgende reed al voor in zijn vakantietaxi.
Natuurlijk had ze alles prima uitgelegd, een paar dagen eerder, haar pluizige glimlach voorop. 'Ik hou van je, maar niet op die manier.' Een plekje in haar hart, had ik. Weerzinwekkende woorden, waardoor ik onmiddellijk zin kreeg in vanalles wat ik hier niet durf te noemen, hupsakee, je bent een vriendelijke man of je bent het niet, dus ik glimlachte zo beminnelijk als ik kon in deze volslagen afgang. Het is net als zo vaak met opgewonden plannen, een borrelend lichaam vol, ze blijven bij een aanvechting, een oprisping. En dat is misschien maar goed ook. Afijn... Je kucht eens in je hand - 'excuseer', en je staat op. Ze begeleidde me naar de deur, duwde me die teepjes in de hand en kuste me op mijn mond. 'Kijk maar, als je tijd hebt.' Zinderend, brandend, vuurspugend stond ik buiten, de deur klikte droog in zijn slot.
Dat er een aanslag zou zijn geweest. Gaten in het asfalt, een uitgebrand gebouw staart uit lege oogkassen verwezen de straat in. Steen heeft glas gebraakt, stof hangt grauw boven het puin. De geur van verbrand rubber, metaal, van een lijk, inderhaast aan de kant van de weg getrokken, half onder een stuk landbouwplastic, in afwachting van het Rode Kruis of een geïrriteerde buurtbewoner om het te begraven of in de fik te steken, na het eerst tot op de stifttanden te hebben kaalgeroofd, een meter verder vanwaar schielijk over straat wordt gegaan, gebukt langs provisorische schuttingen, geplaatst voor de gaten in het gebit van de stad, tegen de kogels van de scherpschutters verderop, die naar men zegt hun intrek hebben genomen in het hotel, of de Hogeschool, of de luxe appartementen van de koopflat.
In zo'n tijd wil ik uitgaan, na de avondklok, in de duisternis, en mij over de brokken trottoir spoeden, langs het lijk, bukkend, rennend voorbij de schuttingen, helemaal naar jouw wijk, naar jouw voordeur, waar ik mij met een trap ertegen toegang zal verschaffen, want het slot is kapotgeschoten of opengewrikt, of door een ontploffing verderop, vlakbij, uit zijn voegen geslagen. Daar, op één hoog, vind ik jou, in angstig duister, waarna we ons snel en zwijgend aan elkaar geven.
Het wordt al licht. In de verte hoor ik een nieuwe mug naderen op verkenningsvlucht. Ik houd mijn boekje in de aanslag. Dat de aanblik van de lijken van je familie je mogen verteren van angst, vermetele! Maar die fanatieke bloedzuigster ronkt onverstoord verder, kleine terroriste, in haar blinde duister, in steeds kleinere cirkels. Als ze vlak bij me is zal ze exploderen, onder de kaft van mijn boek, mijn bloed vermengd met het hare.
Maar kom, niet dramatiseren nu. Het is gewoon half vijf en ik lig een beetje wakker. Misschien moest ik haar maar beter verpletteren, voor de laatste anderhalf uur rust, maar ik ben te moe. Te moe voor de jacht. Even. Straks breekt voor het antwoordapparaat ook weer een nieuwe dag aan. Laat mij nu nog maar even lezen. Ik blader wat door de pagina's. Van Analoog tot Digitaal. Wel een grappige titel. Afgelopen middag heb ik het uit de bibliotheek gehaald, ik geef toe: in lichte paniek. Een cd copieren op cassette is namelijk ontzettend gemakkelijk, iedereen kan het! Je draait er je hand niet voor om, die mogelijkheden schijnen allemaal in die apparaten te zijn ingebouwd. Veel meer dan een paar knoppen gelijktijdig indrukken is het niet. Eenvoudige consumentenintelligentie. Maar wie denkt dat het andersom net zo makkelijk is: niet dus. Ineens heet het 'digitaliseren' en 'dat relatief nieuw procédé' (bestaat er ook nieuw dat niet 'relatief nieuw' is?) schijnt de verouderde cd-speler 'niet te kennen' of zoiets. Bovendien is dat boekje meer politiek dan praktisch, blijkt. Bladzijden lang gaat het over de voordelen versus de gevaren van het digitaliseren in het licht van de tijdbom die onze wereld is... 'Wat als er een aanslag komt. Kunnen we dan nog bij onze archieven?' Dat soort retoriek. Voor vragen in de serie hoe-een-cassette-te-copiëren-op-cd is geen aandacht. In de handleiding van mijn blijkbaar verouderde cd-speler staat er ook niks over. Vervolgens blijkt dat apparaat inderdaad alleen maar een uitgang te hebben. Geen ingang. Zo ken ik er nog een.
'Denk je wel dat je het redt? Heb je het niet te druk?'
'Ik doe het in een daluurtje.'
'Geef het me maar na mijn vakantie.'
'Tuurlijk. Prima. Komt voor mekaar. Ik geef het je zogauw je thuis bent.'
'Je bent lief.' (Kus)
Het punt met dat enthousiaste vertrouwenwekkende jazeggen van mij is dat ik niet goed naar de vragen luister. Woorden zeggen me nou eenmaal niks, vooral niet in haar omgeving. Ik glimlach en let op andere dingen. Een ademhaling, een oogopslag, de stilte rond een woord, de warmte van een nabij lichaam. Dat is meer de richting waarop ik koers. Geluidloos binnenzweven, gewichtloos neerdalen.
Maar ondertussen weet ik heus wel dat ik niet met lege handen en een verliefd smoesje hoef aan te komen, sommige dingen worden ongezegd geweten, nietwaar? Bij haar voel je dat direct aan, daar heb je geen technische knobbel voor nodig. Ik denk dus dat het uit is met die zuinige mondkusjes en het lichthoofdig trap-af-zweven. Waarom heeft die gitarist dan ook niet zelf een cd-opname-apparaat? Daar in zijn digitale New York? Laat-ie zijn erupties maar eigenhandig digitaliseren, als-ie zo weg van je is. Klote-Amerikanen. Met hun herrie, overal ter wereld. Of hij komt het je 'live' voorspelen. Op de rand van je kuise poppenbedje? Ik vind het best. Ik kom wel zwaaien, of klappen. Kan-ie meteen een paar zakken potgrond naar boven sjouwen.
Een mug heeft toch nog vederlicht op mij weten te landen. Een druppel bloed, meer niet, haar buikje rond. Eigenlijk ben ik een heel vriendelijk man. Lief. Sta snel klaar. Te paaien met een kusje. Zouden die muggen bijvoorbeeld niet zo oorverdovend aan komen ronken dan sloeg ik er niet een dood, dan mochten ze er best wat van hebben, van dat bloed van mij, echt waar! Ik betoonde mij genereus als een sinaasappelboom. Pluk maar, ik heb zat!
Ik ruk die tape in een paar flinke halen helemaal uit zijn bandschelp. Een meterslange sliert magnetisch archief, vol Amerikaans gehengst. Een analoge aanslag. Niks van over. Een berg bandsla, een onherstelbaar vernietigd authentiek archiefstuk. Thinking-of-you. Een man moet weten wanneer het spel is gespeeld, wanneer hij heeft verloren. Ik smijt die rommel van mijn bed en kijk op de klok. Half zes. Nog net tijd voor een half uurtje slaap. Met één druk op de knop van mijn antwoordapparaat (digitaal!) wis ik alle vijftien boodschappen. Twee piepjes en het is volbracht.
Een andere tijd... Een tijd van verbijstering, kapotgeslagen asfalt, uitgebrande gebouwen, gesmolten computers, verpulverde archieven... En dan dat verwarde duister inzweven... Eindelijk bevrijd van mijn geweldige glimlachende lafheid, mijn complete cultuur... Afgeworpen!... Recht door jouw ontwrichte voordeur binnengaan en op je neerdalen, gewichtloos, geluidloos, scrupuleloos... Zonder gedienstig gezeul met potgrond, cassettes of beleefde gezichtsuitdrukkingen, zonder dat beschaafde inhouden van mij, dat walgelijke glimlachen, dat laffe ge-ja, ja, ja!
Ik heb trouwens lang geleden eens een meisje gekend dat ja riep. Alsmaar, halfzuchtend, jammerend. Schitterend, maar meteen daarna verdween ze en jaren later maakte ze me verwijten. Jarenlang heb ik met haar stem in mijn kop rondgelopen. Ja, ja, ja... die onduidelijke bevestiging.
Bats. Met een geweldige smak sla ik die laatste schijtmug uit elkaar, midden op de witte muur, tijdens haar tussenstop. Morgen even het boekje schoonspoelen onder de kraan. Dat kan goed met zo'n kaft, geen toekomstige lezer die er iets van merkt. Vijf muggenlijken. Een beetje DNA van mij. Ik kruip in bed.
Geluidloos, gewichtloos
Raster, november 2004