Waterangst en intelligentsia
Waterangst en intelligentsia
Mijn vrouw weet zeker dat ze in een eerder leven is verdronken. Daarmee verklaart ze (en voedt ze, wat mij betreft) haar redeloze angst voor water. Probeer dan eens, wonend in een stad vol schattige grachten, die hoofdstad wordt genoemd, maar de madurodamachtige uitstraling heeft van een souvenirswinkel, uit zijn voegen barstend van de schattige geveltjes, lantarentjes en bruggetjes, alles ingericht om de toeristen onze zogenaamde Gouden Eeuw in te lokken, waarin dit alles met de opbrengst van de geplunderde handelswaar van allerlei overzeese gebieden door onze zogenaamde helden van toen bij elkaar is gespaard, helden die ons nog steeds minzaam vanaf de banieren aan de musea en de toeristenfolders aankijken, je reinste oorlogsmisdadigers, schoften, slavendrijvers en moordenaars zoals Jan de Wit, Michiel de Ruyter en meer van dat schorem. Probeer dan maar eens, wou ik zeggen, want ik dwaal af, in zo'n stad in te parkeren aan zo'n grachtje, met mijn vrouw. Of over een lieflijk bruggetje te lopen. Dat gaat met twee handen aan de reling, de blik strak vooruit gericht, naar de 'veilige' overkant. Over het water uitkijken behoort niet tot de opties. Haar verdrinkingsdood, hij is voor haar, maar ook voor mijn zoon en mij een factor van belang, we moeten daar helemaal in mee.
'Pas op! Doe niet zo eng! Je doet het erom, hè? Wat ben JIJ verschrikkelijk! Je zit me gewoon te fokken!'
Je hebt een trauma uit een eerder leven, heeft haar eens een waarzegger vaardig op de mouw gespeld, door subtiele vragen te stellen precies dat antwoord gevend dat zij hem had gedicteerd, kosten honderd euro. Het is zo normaal om elkaar te beliegen en te belazeren, dat ik er af en toe benauwd van word. Ik herinner me van vroeger - enigszins vertrouwd geraakt met helden en misdadigers door talloze Lucky Lukes, waarin je de held had (Lucky) en een boef, bijvoorbeeld Billy the Kid - de schok die mij overkwam, toen ik in een ander boek las dat die Billy the Kid, een historische figuur, zo bleek, na 'het misdadig pad te hebben bewandeld' sheriff was geworden, zoals dat 'wel vaker voorkwam met outlaws'! De verwarring die mij toen overkwam probeer ik bij mijn zoon (6 jaar) voor te zijn, door hem voortdurend de nuance van de dingen voor te houden, de keerzijde van de medaille als het ware. Een en ander levert in ieder geval op dat hij tegenwoordig doodsbang is voor de politie, want 'dat zijn boeven, toch, papa?'
'Jazeker,' zeg ik dan, want mijn zoon beliegen lijkt mij nog ernstiger dan een jeugdtraumaatje van zijn kant. Dan nog maar even over die uit misdaadgeld opgetrokken stad van ons: ik ben eens met hem, hij was toen vijf jaar, naar het Rijksmuseum geweest. Zoiets hoort bij de opvoeding van een kind uit de betere klasse, nietwaar, de klasse van de intelligentsia van Amsterdam. Hij rende rond. 'Wie is dit, papa? En dit? En dit?' Een moordenaarsgalerij, alle portretten van oorlogsheren en scheepskapiteins en daar omheen hun wapens blinkend gepoetst uitgestald naast een hoop van die bij elkaar geroofde spullen, schitterende vazen, schenkkannen, juwelen, kleden, noem maar op, om nog maar te zwijgen over de slaven die ze hadden meegesleurd om te verkrachten, kinderen van tien, twaalf jaar, jongens en meisjes, daar en hier en tijdens de reis en waar ze maar wilden, want dat ging er in die tijd heel wat gemakkelijker aan toe dan tegenwoordig, als zo'n zielepiet van zijn driftgedreven vakantietje in Thailand wordt geplukt en opgebracht. Flauwekul. Zo'n figuur wordt de oren gewassen door een chique en geschokte officier van justitie, ('Hoe oud zegt u dat ze was? Vijftien! Een kind!') haar verontwaardiging geheel in stijl met de mode van de tijd, een dame uit de betere klasse, nietwaar, net als wij, die op zondag met haar kinderen in het Rijksmuseum de kunst uit de Gouden Eeuw gaat bekijken en net als ik haar zoon of dochter gaat vertellen wie Michiel de Ruyter was, want zo zijn we wel van de intelligentsia, de ene hoerenloper is de andere niet. 'Wie is dit nou weer?' roept Samuel, mijn zoon opgetogen. 'Dat is een vuilak die zichzelf belangrijk vindt omdat-ie geld heeft, gestolen ook nog, en daar paradeert hij mee en daar moet hij zonodig zijn portret van laten schilderen, want hij is niet alleen een schoft, maar nog ijdel ook.'
'Een boef?' vat Samuel met grote ogen samen.
'Ja,' zeg ik. 'Een boef én een moordenaar. Kijk maar goed. Geld, heldhaftig kijken, veel poeha.'
'Wat is poeha?' vraagt hij.
'Poeha is liegen, jongen.'
Dan is zijn geduld voor mijn nuance op en ziet hij prachtig glimmende geweren waar hij opaf rent.
'Oh papa, ik wou dat er nog kapers bestonden...' verzucht hij.
En dan maken wij ons in onze sensatiekrantjes druk over Japan dat zijn oorlogsmisdadigers in tempels eert (het Rijksmuseum heet voor mijn zoon overigens 'die kerk met schilderijen') en subtiel het woordje 'gedwongen' uitvist tussen de beschrijving van de hordes als troostmeisje werkende jonge vrouwen waaraan de oorlogshelden zich verder mochten uitleven, maar dit alles voortdurend terzijde, want we hadden het over de waterangst van mijn vrouw, die overigens besmettelijk blijkt, ik bedoel niet dat mijn zoon en ik er ook in zijn gaan geloven, maar wel dat mijn vrouw nu ook bang is geworden van roltrappen, vliegtuigen, gewone trappen zelfs en nog allerlei aanverwante zaken, aanverwant in de zin van dat het lijkt of ze een winkel drijft in angst, tamelijk agressief ook nog, voor wat betreft het opdringen van haar waren, en haar uitstalling puilt uit. Natuurlijk weet ze ook wel dat ze overdrijft, ze is tenslotte niet gek. 'Sorry,' zegt ze dan, 'ik ben in een eerder leven verdronken. Vandaar.'
Ik moet denken aan de vier jaar corvee die ik heb genoten, tijdens de eerste jaren van het leven van onze zoon, als hij in bad moest. Duizend doden stierf ze en bij elke relatieve stilte was hij weer verdronken: mijn schuld. Mijn tegenargumenten, welke dan ook, zoals bijvoorbeeld: 'hij IS niet verdronken', werden honend terzijde geveegd. 'Maar ALS! Dan heb je spijt!! En IK vergeef het je NOOIT!'
Ikzelf houd juist enorm van water, rijd regelmatig naar zee om er op adem te komen. De weidsheid, de kleur van het water, altijd hetzelfde maar steeds anders, de beweging van de zee, haar rustige ademhaling, het zachte klotsen van de branding tegen de stenen van de pier waarop ik zit, de grootsheid van de hemel met zijn gestapelde wolken, het brengt me tot rust.
Soms kan ik me namelijk nogal druk maken over maatschappelijke misstanden. Mijn vrouw vindt dat ik daarin behoorlijk overdrijf. 'Hear, hear!' zou ik kunnen smalen, maar zo ben ik niet, ze is ervaringsdeskundige dus ze heeft juist recht van spreken, zo valt het ook te beschouwen, waar of niet? Ik ben nou eenmaal een man van de nuance. En vast en zeker is het van alle tijden, en van alle zogenaamde beschavingen, hoe we worden belogen en bestolen. Neem nou de kermissen en hun volksverlakkerij, dat is toch tijdloos. Ik heb alleen tegenwoordig zo sterk het idee dat de kermis de algehele dienst uitmaakt, dat het overal kermis is, en dat op internet iedereen van zichzelf een kermis maakt en dat het de enige mogelijkheid is om noga wat aandacht te krijgen, dat kwaliteit allang geen factor meer is, maar lawaai de norm is. 'Studieieieie!' riepen de HAVO-proleten vroeger naar ons, gymnasiasten. Tegenwoordig wordt het HAVO als een hoge opleiding gezien.
'Je bent overspannen,' zegt mijn vrouw dan, 'de kermis zit in je eigen hoofd.'
Maar ik zal een voorbeeld geven, ook al vond mijn vrouw, die erbij was, dat ik 'zwaar overtrokken' reageerde. Het gebeurde in de boekhandel, waar ik Over Kampliteratuur van Jacq Vogelaar kocht. Het troost me enigszins dat ik mij met mijn pleidooi voor kwaliteit min of meer in goed verguisd gezelschap bevind, want hoe dan ook, ik had het moeten bestellen, op voorraad was het niet, en ik kwam om het op te halen.
'Is het een cadeau?' vroeg de plaatselijke accountmanager me, een studente die wat bijverdiende denk ik (ook dat wordt trouwens niet meer gezien als schande maar juist ervaren als eervol!).
'Ja,' zei ik, want ik houd ervan om boeken een speciale plaats te geven in mijn leven, bovendien staan ze soms een tijd nog-te-lezen in de kast zodat ik op het laatst niet meer weet wat er precies inzit, dan krijg ik het cadeautje bij het uitpakken als het ware nog een keer, ik kan het iedereen aanraden! (Want er wordt steeds minder gelezen, maar de boekhandels blijven maar winst maken. Mijn conclusie is dus: die boeken staan ongelezen op de plank. Dus is mijn advies: laat ze inpakken, dan is het over een paar jaar, als er perongeluk een gaatje valt in de agenda, bijvoorbeeld door pensioen of arbeidsongeschiktheid, opnieuw een cadeau! Mijn vrouw noemt het overigens 'volkomen geschift' dat mijn boekenkast stampvol staat met ingepakte boeken. 'Ziekelijk,' vindt ze. Bovendien is ze doodsbang dat dat ding een keer in zal storten, vanwege al die boeken.)
'Ja,' zei ik dus, op dat cadeau, en verwoed begon de werkstudente (een geuzennaam) het ding in te pakken. Op het laatst wilde ze er bij wijze van toefje nog een sticker opplakken. Een sticker met de naam van de boekhandel erop.
'Pardon,' zei ik dus. 'Niet die sticker erop, graag.'
Ze keek me verbaasd aan. Ik keek nog verbaasder terug.
'U zet uw naam op mijn cadeau. Is het soms uw cadeau? Dan hoef ik het zeker niet te betalen.'
Misschien was ze toch geen werkstudente, maar alleen maar een werk-iets, werkmeisje of zo, of troostmeisje of hoe we ze ook mogen noemen, door de eeuwen heen, want ze snapte er niks van, zoals alle verkopers alleen de in hun door psychologen opgestelde en in het antwoordenboek afgedrukte antwoorden kunnen begrijpen, en niet worden opgeleid tot improviseren, wat eigenlijk - ook in de muziek, daar weet ik wat van - niet meer betekent dan: luisteren. Misschien draaf ik door, ik kan me over sommige maatschappelijke misstanden nogal drukmaken en niet zelden gaan ze dan in mijn hoofd wat door elkaar heen spelen, improviseren zonder luisteren, zeg maar. Bovendien werd de discussie bemoeilijkt door mijn vrouw, die naast me begon te roepen dat ik 'volkomen geschift was' zoals ik reageerde. Het is lastig op twee fronten een redelijke discussie te voeren, zeker met vrouwen, dus ik probeerde me niet van mijn stuk te laten brengen door mijn eigen vrouw toe te snauwen: 'wat heb jij hier nou weer mee te maken? Gaat dit soms van de gezamelijke rekening?' Waardoor de discussie, met mijn vrouw althans, onmiddellijk werd verzwaard met een buiten de orde van het eigenlijke gesprek gelegen gewicht en ontaardde in een door mijn vrouw als nominaal, ik bedoel in elke discussie waarover dan ook, aangewend schreeuwen in de trant van: 'Wat ben JIJ verschrikkelijk! Volkomen geschift! Je zit me gewoon te FOKKEN!'
Terwijl ik mijn vrouw luidkeels probeerde uit te leggen dat dit niet om haar ging, maar om een principe van bedrogen en bestolen worden, plakte het werkmeisje razendsnel, toch wel behoorlijk pienter, misschien toch een werkstudente dus, haar sticker op mijn boek en schoof het geheel in een plastic tas waar levensgroot de naam van de boekhandel op prijkte. 'Veel plezier ermee,' deed ze de vaste slotfrase uit het psychologenboek en ze wendde zich tot de volgende klant. 'Kan ik u ergens mee van dienst zijn?'
Mijn vrouw griste de tas van de balie en stampvoette ermee de deur uit, luid haar argument - 'wat ben jij verschrikkelijk. Je zit me gewoon te FOKKEN!' - herhalend. Ik draalde er stom achteraan, achter mijn vrouw die daar met mijn cadeau dubbel reclame liep te maken voor de boekhandel, driedubbel bedoel ik, want haar geschreeuw leverde de nodige omkijkers op, een reclame die IK nota bene had bekostigd. Ondertussen vroeg ik mij, op een heel ander gedachtenniveau en in veilige stilte, af of Over Kampliteratuur een beklemmender boek zou kunnen zijn dan mijn huwelijk, maar ik werd uit mijn gedachten opgeschrikt door mijn vrouw die me toeschreeuwde dat ik godverdomme WEL de brugleuning vast moest houden, of wilde ik HAAR soms een hartstilstand bezorgen? Daar zou ik nog SPIJT van krijgen!
De zee in Zeeland, er gaat zulk een overweldigende rust vanuit, de hoge wolkenluchten, zeventiende-eeuwse meesters in het echt, nu in de twintigste eeuw, zonder schurken en schoften in beeld, zonder zogenaamd heldhaftige handels- (lees: slaven-)schepen, zonder plunderaars en brandschatters als Jan de Wit, maar alleen die prachtige eeuwig deinende watervlakte, met heroïsche wolkenhemelen, helemaal niet nodig daar nog een zeeslag onderdoor te schilderen wat mij betreft, ik had zo al genoeg aan mijn kop. Het huwelijk zou ik graag met zo'n zeeslag vergelijken, zo eentje die je voor rust en ruimte althans net zo goed weg kunt laten.
Mijn zoon, die die middag met mij in de auto stapte om mee naar zee te scheuren, ('waar ga je heen, papa? Mag ik mee?') vond dat ik niet door rood mocht rijden. Luidkeels riep hij bij elk stoplicht: 'Het was ROOD papa! Dadelijk komen de boeven van de politie en dan moet JIJ naar de gevangenis! En waar moet IK dan naartoe?' Hij lijkt trouwens als twee druppels water op zijn moeder, had ik dat al verteld?
Hoe dan ook, ik snauwde hem toe dat die stoplichten er alleen maar neergezet zijn om de mensen te treiteren en om ze te bestelen staan er die fototoestellen bij, want reken maar dat de zogenaamde ordehandhaving de melkkoe van de gemeente is! 'De staat is een samenzwering,' sloot ik af, 'niet alleen ter knechting van het individu, maar ook ter bederf!' Dat schijnt Tolstoj te hebben geschreven nadat hij in Parijs getuige was van een terechtstelling met de guillotine, dus goed genoeg voor mijn zoon. Hij is zes jaar nu, enige gevoeligheid voor de smeerlapperijen van deze wereld lijkt me wel tijdig. Wij zijn nou eenmaal van de betere klasse, de intelligentsia, en willen onze kinderen iets meegeven, een bewustzijn, een bepaalde intelligentie prikkelen om de nuance van de dingen te kunnen zien.
Het is het onrecht waar ik nou eenmaal niet tegenkan, bedacht ik mij toen wij later die middag zwijgend, - want ik maande mijn zoon zijn kop te houden omdat ik RUST wilde en schreeuwde dat hij net zo hysterisch begon te worden als zijn moeder, waarop hij vroeg 'wat is dat papa, hysterisch?' waarop ik hem ter lering ende illustratie een draai om zijn oren gaf, want daar hoeven we helemaal niet zo spastisch over te doen in die volslagen idiote maatschappij van ons: een kind heeft soms een draai om zijn oren nodig om te weten wat de grenzen zijn - terwijl wij zwijgend dus, want ik dwaal weer af, aan zee uit de auto stapten en de pier op slenterden. Het gaat me om het onrecht, besloten in het vanzelfsprekende gemak waarmee we worden bestolen en bedrogen, dat moge nu wel duidelijk zijn.
Neem bijvoorbeeld die auto van mij. Men heeft de gewoonte om onder het nummerbord de naam van de garage te printen, witte letters op de zwarte rubber rand. Nu koop ik niet zoveel auto's als boeken, dus de schade blijft beperkt, maar de verbazing van die ene verkoper destijds was er niet minder om toen ik vroeg hoeveel hij mij ging betalen om voor hem reclame te rijden.
'Niets,' was zijn verbouwereerde antwoord.
'Haal uw naam dan maar van mijn auto af,' zei ik dus. In die tijd had ik nog geen vrouw om me te ridiculiseren, dus ik kon er nauwgezet op toezien dat er een naamloos rubber werd gezocht en mijn 'dan gaat de koop niet door,' was effectief genoeg om de post 'verwijderen, bestellen en plaatsen van nummerbordrubber à 370 gulden, inclusief arbeidsloon' van de factuur te laten halen.
Ik heb nog wel een paar voorbeelden, hoor, dat u niet denkt, nu mijn vrouw er even niet bij is, dat ik een grote aansteller ben, want het zit niet alleen in die kleine dingen, maar ook in de heel grote. De goede doelen en het geld dat daarmee verdiend wordt bijvoorbeeld, door bestuurders en aandeelhouders, we laten het er allang bij zitten, zo brutaal en groot zijn die diefstallen, dat we ze niet meer kunnen bevatten, het is als met bedragen van boven de vijf nullen. Zoiets werkt averrechts, in het voordeel van de bandieten, want we zuchten en zeggen: het zal wel en schudden verbaasd het hoofd, de handen onmachtig ten hemel geheven, alsof daar iemand zou zitten die er iets aan gaat doen. Bouwfraude, bonussen, we worden zo continu en structureel bestolen, met medeweten van de politieke meelopers, de leiders van ons land, die als honden aan de leiband kieuwen maar kwijlen als ze een bak brokken krijgen voorgeschoteld, dat we er geen antwoord meer op weten, anders dan over zee uit te staren en te zuchten. Je zou gewoon verlangen naar een eerlijke boef als Billy the Kid, die voor je staat en zegt:
'Geld of ik maak je dood.' In plaats van de equivalent die spreekt in termen van 'klantvriendelijkheid,' 'burgerplicht,' 'milieu' en al die andere door psychologen bedachte varianten op leugens en diefstal. Ik zou verdomme Billy the Kid ook tot sheriff benoemen!
'Bent u helemaal gek geworden of zo?' briest plotseling een vrouwenstem achter mij. Ze staat midden op de pier, haar hond aan de lijn, en aan haar andere hand mijn bedremmelde drijfnatte zoon.
'Hij zou verdronken zijn als ik hem niet had zien vallen. Bent u nou een VADER?! Een kind op een pier laten spelen! Hoe oud is hij. Vier? Ik wed dat hij nog niet eens kan zwemmen!'
'Ik ben zes,' zegt mijn zoon met een huillip en rent rillend van de kou naar me toe. 'Ik was uitgegleden, papa.' Hij kruipt op mijn schoot.
'Wij doen hem niet op zwemles,' zeg ik, terwijl ik hem beduusd tegen me aan druk. 'Zijn moeder is in een vorig leven verdronken, begrijpt u?'
De vrouw kijkt mij geschokt aan. 'U bent geschift,' zegt ze, dreigend, fluisterend, terwijl ze haar hondje bij zich pakt en achteruit de pier afstapt. 'Ik ga de kinderbescherming bellen.'
'Wat is dat papa, kinderbescherming?' vraagt mijn zoon met grote traanogen. 'Zijn dat boeven?'
'Zeker weten, jongen,' zeg ik grimmig en ik houd hem stevig tegen me aan. 'Zeker weten...'
Waterangst en intelligentsia
Vrij Nederland, mei 2007