Als het water levend wordt
Als het water levend wordt
Het verpleegtehuis is een enorme betonnen kast met grote ramen. Vooral als het regent is het gebouw een monster dat uit zijn helverlichte ramen dreigend het donkere regenweer instaart. Op de derde verdieping, de gemeenschappelijke ruimte, zie je achter die ramen de oudjes scharrelen. Anderen zitten de hele dag stil, gekeerd naar het dunne zonlicht, dat af en toe tussen de regenbuien door steekt, doodstil naast elkaar te wachten.
Mijn moeder kan niet inparkeren, net als mijn oma, dus we parkeren de auto een ongelofelijk eind weg en sloffen door de regen het enorme parkeerterrein over.
'Van een beetje water zul je niet smelten,' zegt mijn moeder. 'Je bent niet van suiker.'
'Nee, voor tachtig procent van water,' zeg ik, (want ik steek heus wel iets op van die stomme school, als ze soms dacht van niet), 'en straks voor honderd.'
'Vooruit, loop eens door. Oma zit al te wachten.'
'Ze weet niet eens wat voor dag het is.'
'Eén keer per maand,' waarschuwt mijn moeder. 'Je gedraagt je hoor...'
We nemen zwijgend de lift naar de derde etage, terwijl mijn moeder haar haar inspecteert in de spiegel en het, net als de kapper, een beetje met haar vingers doorkamt en, nutteloos wat mij betreft, opwerpt.
'Als het water levend wordt, ko m laat ons dan gaan...' zeurt me een kerkliedje van deze ochtend door het hoofd. De hele tijd hetzelfde zinnetje, als een cd op herhalen. Vast en zeker een onderbewust hulpmiddel om de zondag te kunnen doorkomen, die zeer trage dag, waarop wij, de kinderen, eerst met zijn allen naar de kerk moeten en dan op tourbeurt met een van onze ouders mee naar oma, overigens meestal met mijn moeder, want mijn vader 'heeft het niet op sterfhuizen,' zegt-ie. Deze week is dus weer mijn moeders week en mijn beurt.
In de gemeenschappelijke ruimte worden de oudjes die net binnenkomen aan tafeltjes aan het raam gezet. Daar hebben ze, als de regen de ramen niet ondoorzichtig maakt, uitzicht op een klein gedeelte van het dorp, wat wegen en verderop de maïsakkers. Er is bij goed weer zelfs een stukje bos te zien. Zo kijken ze uit over de verrichtingen van de seizoenen. Vooral de lente is hier favoriet. Dan zie je ze met bleke vingers wijzen, ver naar beneden. Kijk toch eens, hoe mooi die katjes erbij staan. En de brem. Straks, als ik weer kan autorijden, dan rijden we naar Spoordonk. Daar staan langs de weg zulke mooie bremstruiken, prachtig gewoon. Dan nemen we koffie en gebak bij de watermolen. Die laten ze soms nog weleens draaien, dat is zo'n schitterend gezicht.
Maar ‘straks’, als de mist definitief inzet en de witte gezichten steeds meer beginnen leeg te raken, zodat soms zelfs de rimpels verdwijnen, als op het water in het waterbekken van Spoordonk als de molen is stilgezet, en als de seizoenen niet meer worden gezien, maar alleen nog de kleuren en nauwe landschappen van bepaalde herinneringen, dan worden de stamelende oudjes in hun stoel naar de middentafel gereden. De tweede halte. De vrijgekomen plaats aan het raam wordt ingenomen door een nieuwkomer, die onwennig, vriendelijk knikkend, iedereen begroet bij het binnenkomen, hooguit opgemerkt door één, die begint te roepen:
'Anja zou komen, maar de bushalte is verplaatst. En ik zit hier maar te wachten.'
Als het gemopper en geschreeuw te erg wordt aan de middelste tafel of er wil er één te vaak opstaan uit de rolstoel waarin ze zit vastgesnoerd, dan is ze de volgende dag verdwenen.
Soms kun je zo iemand zien zitten, door een ruit in een andere gang, de gesloten afdeling, geparkeerd onder een schilderij, in afwachting van een volgend evenement: eten, wassen of bezoek, steeds sporadischer en steeds meer van dezelfde, dezelfde vreemde, steeds vreemdere bezoeker of bezoekster, in ons geval meestal de oudste dochter, mijn moeder, met een van haar kinderen, mij dus.
Zo wordt mijn oma elke week bezocht, een humaan systeem. Vaste prik is het om haar van haar tafeltje aan het raam mee naar beneden te nemen, naar ''t Bruyn Café', zoals het met donkere tafels volgezette souterrain wordt genoemd.
'Waarom ga je hier niet vaker naartoe,' vraagt mijn moeder.
'Ik ben daar gek,' zegt mijn oma. 'En dan bij die ouwe sokken gaan zitten, zeker?'
In het aansnijden van dezelfde onderwerpen doen ze niet voor elkaar onder, vind ik, maar ik ben dan ook zestien en weet nog niets van de herhalingsoefening die het leven zal worden, volgens mijn vader. Zestien, als alles nog moet en zal gebeuren, en je zit te springen tot het zal gaan stromen en bruisen, doet-ie dan lyrisch. Weinig kans op die saaie school, zeg ik hem, of in die traaaage kerk. Als het water levend wordt, kom laat ons dan gaan. Geen flauw idee wat daarmee bedoeld wordt, eigenlijk. Weet ik veel. Kerkliedjes, een pot nat, net als bejaarden.
Volgens mijn vader is die verdeling van tachtig-twintig, water en rest, niet automatisch een waardeoordeel. Het is gelukkig geen democratie in het lichaam, zegt hij dan. Waarin de meerderheid bepaalt. Nee, die twintig procent, botten, eiwitten, kalk, die maken het verschil. Tussen mens en zee, bedoelt hij dan, algemeen gesproken. Over het algemeen kletst hij maar wat, halfgeciteerd uit de wetenschapsbijlage van de krant, volgens mij, maar om oma te bezoeken is-ie te schijterig. Ik heb minder keus, in ieder geval. 'Loop eens rechtop,' zegt mijn moeder tegen me, 'dat geslenter.'
Achter een deur van dik glas staat in een helverlichte gang een vrouw met woest spierwit haar. Ze wil ''t Bruyn Café' in maar de deur zit op slot. Onhoorbaar klopt ze op het glas en gesticuleert: hé daar, hallo. Die deur. Maak eens open, zeg. Hij zit op slot.
Mijn oma scharrelt ernaar toe en brengt haar gezicht tot vlak bij het glas.
‘Mag niet,’ zegt ze, vriendelijk, zangerig, zoals je een kind toespreekt. ‘Neehee, mag niet’. Ze steekt haar oude wijsvinger op en beweegt hem heen en weer terwijl ze nee schudt, in tegenbeweging. Aan de andere kant van de ruit blijft de vrouw, licht en wit als een verschijning, onverstoorbaar wijzen op de deurknop: Op slot, doen haar lippen, maak eens open, hallo zeg. Op slot.
Dan draait mijn oma zich af. Als het oude vel nog zou kunnen blozen, zou het blozen.
Het moet de ontwerper van dit gebouw zijn geweest die heeft bedacht om in deze donkerbruine kelder een glazen deur te maken naar de gesloten afdeling. Iedereen die zijn vertier zoekt in het café kan zo zien: Daar is de laatste halte. Let maar goed op. Als straks alles steeds meer blank wordt in je hoofd en je gedachten en verlangens, dan brengen we je met zachte hand achter deze deur. Kijk ze maar zweven daar, die schimmen aan de oever van de Styx. Ze wachten en dwalen tot iemand ze eindelijk wil begraven, een muntje tussen hun dove lippen.
'Laten we maar naar boven gaan,' zegt mijn moeder, 'het is hier vandaag zo donker, hè mam? Met dat donkere weer.' Ze werpt een blik op de witte vrouw, als om te controleren of de deur nog dicht zit. 'Naargeestig,' zegt ze en ze neemt oma bij de arm. Ik slof er min of meer vermoeid achteraan. Eerst helemaal naar beneden, nu weer helemaal naar boven. Gedoe voor niks. Niet dat dat café me iets lijkt, hoor, er staat geen Playstation of niks, dus. Maar ik vind mijn moeder wel overdreven, met haar stomme dementie-angst. 'Als het water levend wordt, kom laat ohons dan gaan...' Dat raak ik vandaag niet meer kwijt. Wat het moet betekenen? Zeker ook geschreven door een demente.
'Kom op, jongen,' zegt mijn moeder. 'Zo kan oma niet op je arm steunen.' Ik haal mijn schouders op en pak haar arm. Zo scharrelen we gedriën naar de lift.
'Gaat nog goed, hè mam, het lopen,' zegt mijn moeder geestdriftig tegen mijn oma, die geconcentreerd haar voeten in de gaten houdt en niets hoort. In een verpleegtehuis leer je razendsnel met je te laten sollen, bedenk ik mij. Mij niet gezien, zoveel is zeker. Volgens mijn vader denken tieners: vooruit, vooruit en snel een beetje, zonder de logica te zien van waar dat vooruit op uit gaat komen. Dan lacht hij zelfvoldaan, maar zelf durft hij al jaren niet naar de tandarts en als-ie naar het verpleegtehuis moet drukt-ie zich ook, die schijterd.
In de hal waar we wachten op de lift stapt een tuinman binnen om te schuilen tegen een forse regenbui. Hij grijnst breed, druppels op zijn haar en gezicht, schop over zijn schouder. Gepensioneerd, denk ik, met dat grijze haar, en dan zo vief en vrijwillig op zondagmiddag in de tuin van het bejaardenhuis gaan schoffelen. 'April in regen, is't gewas een zegen,' roept hij een oud mannetje dat daar op een bankje bij de ingang zit in het oor.
'Ik ben niet doof hoor,' moppert het ventje. 'En je drupt.'
'Kom je me halen doodgraver? roept een ander, verderop in zijn rolstoel gesnoerd. 'Neem me maar aan. Ik ben er klaar af!'
'Ik kom juist de bloemetjes in uw tuin zetten,' zegt de gepensioneerde lachend.
'Hij komt de bloemetjes buiten zetten,' roept er weer een. 'Hij wel!'
'Ach, die knul,' zegt mijn oma. Haar ogen glinsteren. 'Straks, als het weer mooi weer wordt,' zegt ze, 'gaan we rijden, hè?' Ze drukt de arm waarmee ik haar ondersteun en kijkt me aan, klein oud vrouwtje, haar hoofd wiebelt wat op haar nek. 'Dan neem ik je mee naar de Spoordonkse watermolen, gebak eten,' belooft ze. 'En jij mag rijden. Dat is zo mooi,' zegt ze, 'die Spoordonkse watermolen, schitterend. Als ze hem laten draaien...'
'Ik heb nog geen rijbewijs, oma,' zeg ik, 'dat is Han. Ik ben pas zestien.' Maar de lift is gekomen en het binnenscharrelen neemt haar in beslag. 'Ja, ja,' zegt ze en ze schuifelt de lift in, met het puntje van haar tong ingespannen over haar onderlip wrijvend. 'Als ze hem aanzetten. Schitterend.'
Mijn oma heet Lien, van Mechelina. Ze houdt zich flink met flinke voornemens. Straks, als ik weer helemaal beter ben en naar huis kan. Ze hoeft niet eens mijn moeders ongeruste blik op te merken: op de juiste momenten grijnst de waarheid zelf haar vals toe, vanaf de andere kant. Neehee, mag niet...
Ik help haar weer aan haar tafeltje aan het raam, tegenover een muiswitte stokdove vrouw die ons glimlachend toeknikt, haar vaste tafelgenoot. Lien heeft de neiging om hetzelfde verhaal vaker te vertellen. Haar vriendin doet niets dan haar toelachen en knikken. Het is de opgeluchte grap in de familie, die de zorgen wat verlicht. 'Ze zijn het roerend eens,' roept mijn vader dan schaterlachend, tot mijn moeder er genoeg van heeft. 'Christ...,' zegt ze dan.
Mijn vader zegt dat ze die verwarde oudjes op een gegeven moment gewoon geen water meer geven. Versterven heet dat, zegt hij. 'Dan drogen ze uit. Als planten!' Dat zegt hij niet waar mijn moeder bij is natuurlijk.
Als oma eindelijk klaar is met verzitten en schikken herinnert ze zich ineens iets. Ze buigt zich naar mijn moeder en zegt: 'Ik heb vannacht... Vannacht moest ik...' Ze kijkt om zich heen. Aan de andere kant van de tafel glimlacht haar vriendin haar bemoedigend toe. 'Ik moest plassen,' fluistert ze. 'Maar er kwam niemand. Ik heb gebeld. Maar niemand kwam. Eindeloos. Tot ik niet meer... Zoiets mag toch niet?' zegt ze.
'Dat was drie maanden geleden, mam,' zegt mijn moeder, troostend, verzachtend, ongerust. 'Dat wisten we toch al. Het geeft niks.'
Mijn oma begint te huilen. 'Ik kon het niet meer ophouden. Ik heb gebeld. Eindeloos... Verschrikkelijk. Zoiets...'
'Je kon er niks aan doen, mam,' zegt mijn moeder, 'Laat het nu maar los.' Maar ook zij heeft tranen in haar ogen.
Ik ben zestien dus ik heb geen zin in weer dit verhaal maar best in cola, maar dat is hier niet. Hier is alleen de verwarming op vijfentwintig graden. Zo stoken ze die tachtig procent water wel weg. De oudjes verdampen waar ze bij zitten. Ik sta op en ga de gang op. 'WC,' zeg ik tegen mijn moeder, die me met een frons aankijkt, alvast vermanend, gedraag je, hoor, één keer in de maand. De kerk en oma, hoeveel is dat. Zoals zij altijd klaar heeft gestaan voor jou, ja, dat weet je niet meer. Maar ik weet het wel. Vier kinderen, wacht maar, later als jij straks... Afijn. Zo kijkt ze. 'WC', zeg ik nog eens nadrukkelijk en ik ga de gang op. Als het water levend wordt, kom laat ons dan gaan, zingt het door mijn hoofd.
Natuurlijk heb ik weleens zin om de brandslang open te draaien, of de ramen open te gooien. Laat het maar eens goed binnenregenen hier, die verstikkende stervenskas. Maar het einde van het liedje is toch altijd dat je maar wat loopt te mokken en tegen te werken zonder ook maar iets te doen. Niets kunnen doen is voor een tiener lastiger dan voor een bejaarde, hoop ik dan maar. Mijn vader heeft zich in ieder geval succesvol getraind op het ontwijken van confrontaties, in woord niet, maar wel in daad. Mijn moeder in woord en daad. Ze wil dat ik netjes naast haar kom zitten, niet zo slenter en oma vertel van school. Maar wat zou het. Ze weet niet eens wie ze voor zich heeft. Zal ik haar vertellen uit hoeveel water ze bestaat?
'Ik heb zojuist vier procent van mijzelf uitgeplast,' zeg ik.
'Hou ermee op,' sist mijn moeder, maar oma heeft het niet eens gehoord.
Ik haal mijn schouders op. Mijn vader zegt dat de watermolen van Sporendonk allang niet meer draait. Kan mij niks schelen, zeg ik hem, want hoe stom is het om naar een watermolen te gaan kijken. Bejaardenpret.
Twee weken later komt het telefoontje, op zondagochtend, wij zitten aan het ontbijt. Mijn moeder neemt de telefoon op alsof ze het al weet. 'Ja, de dochter van mevrouw van Reuth, die ben ik,' horen we haar zeggen en daarna luistert ze, zwijgend.
Als ze neerlegt en naar de tafel loopt zegt ze: 'Mama is dood.' Ze gaat zitten en kijkt verbouwereerd mijn vader aan. Ze glimlacht. 'Ze heeft het eindelijk losgelaten,' zegt ze. Dan huilt ze en zoekt steun in de armen van mijn vader. Zouden ze haar hebben laten uitdrogen? Ik kijk steels naar mijn vader, maar zijn ogen krijg ik niet te zien.
Als het water levend wordt
Brabant Literair, juni 2007