Mulle ’s diploma

 

Mulle s diploma

 

Geen beter moment om met lichte melancholie terug te kijken op je middelbare schoolcarrière dan tijdens je feestelijke diplomauitreiking, vooral vlak nadat je je diploma hebt verscheurd en in de eerste de beste prullenbak hebt gepropt.

Ik dacht bijvoorbeeld terug aan mijn brugklasjaar, die onwezenlijke tijd van het ontwaken van de onveilige driften, en hoe ik een klasgenote begeerde op brugklaskamp. Het was 's avonds op de klassefuif en haar naam weet ik niet meer, maar wel dat ze hockeyde bij Oranje-Zwart, en donkerbruine ogen had en glanzend zwart haar. Om haar voor mij te winnen volstond mijn glimlach zeker niet, dat wist ik al vrij goed. Gelukkig was het behoorlijk duister, in die tot broeierige dansruimte bestemde schuur, waarvan de muren en het plafond waren volgehangen met allerlei attributen, betreffende de paardensport of het boerenbedrijf of een combinatie daarvan, zoals leidsels, zadels, en aan de muur boven de bar zelfs een hele ploeg. Ik was flink getransponeerd van dat lieve kleine meisje dat daar onder al die paars en blauw aangelichte gereedschappen met mij wilde zwemmen, zoals dat toen heette, wel drie platen na mekaar, maar de voorzichtige bekentenis van mijn gevoelens voor haar bracht een onaangename beweging op gang. Het was alsof ik de tl's had aangedaan, zo knipperde ze geschrokken met haar ogen. Ze moest 'er' met haar vriendin over 'overleggen', zei ze. Ik wist niet wat 'er' precies viel te overleggen. Ik had haar niets gevraagd, tenslotte, alleen maar gezegd dat ik haar leuk vond. 'Heel leuk.' Na een bijzonder lange tijd wachten op de dansvloer waar we zojuist nog intiem tegen elkaar aan hadden staan schommelen kwam ze terug. Ze had een gewichtige mededeling: Ik was ook 'heel leuk', maar bij haar op hockey zat een jongen, die was 'nog ietsje leuker...'

De geweldige roes van het uitspreken van mijn verhitte gevoelens maakte plaats voor verbazing. Wat hadden mijn bewondering met een 'nog ietsje leukere jongen' te maken, oftewel, maar dat weet ik nu, wat hadden mijn gevoelens met haar gevoelens van doen? Daar had ik toch niet om gevraagd? Heel het broeierige moment van muziek en trage bewegingen en het stijlvolle hoogtepunt van mijn zielevergietende belijding waren verdwenen. Ik had blijkbaar met mijn bekentenis een enorm gewicht op haar geladen, een dilemma zo zwaar als een zak aardappelen, daar midden op de dansvloer. Het was in ieder geval meteen uit met het gezwem, ze was zo stug geworden als touw, om nog maar te zwijgen over haar vriendin, die naar me zat te loeren en het volgens mij met een paar andere meisjes over mij had.

Daar stond ik op die vloer, strontventje met mijn lelijke kop, ongeschikt voor zoveel licht. 'Well let me tell you 'bout the way she looked, the way she acted, the colour of her hair, her voice was soft and cool, her eyes were clear and bright, but she's not there...' Gitaarsolo. Ik vluchtte de schaduw in. En precies daar en toen, tegen de muur van die tot fuifruimte omgewerkte paardenstal aangedrukt, in de snijdende herriesolo van een gitaar, dat hengstige instrument, besloot ik dat ik nooit meer, waar dan ook, aan wie dan ook, mijn ware gevoelens mocht uitspreken. Een waarachtig besluit, zo plechtig genomen als alleen een puber dat kan, daar in die bedompte stal, in de zweetlucht van mijn zwemmende klasgenoten. Wie lelijk is moet zijn plaats weten. Stil spel, ziedaar mijn opdracht.

Mijn klasgenote had ik in ieder geval verspeeld. Ze danste nog wel een keer met me, uren later, uit schuldgevoel waarschijnlijk, maar ze hield me duidelijk af en daarna vond ze 'dat het ook eens de beurt was aan een ander', dat klein kreng. Nee, het open veld was niet mijn terrein. Wie lelijk is moet het van de sluiproutes hebben.


In de tijd na mijn afwijzing door mijn hockeymeisje verbaasde ik mijzelf door mijn vasthoudendheid. Ik zat in de klas naar haar te verlangen, ik had het verlangen tot onderwerp van mijn dagen gemaakt, het was een prachtig iets, dat verlangen, een soort poëzie was het, met grote bedoelingen en een lijfelijke tinteling. Regelmatig keek ik om, naar de plaats waar zij zat, schuin achter mij, naast haar vriendin, die mij met haar kleine oogjes gefascineerd bekeek, en dan zuchtte ik. Ik moet er wel hebben uitgezien als een hongerende hond, denk ik nu, het kwijl nog net niet aan mijn bek, maar toch voelde ik mij juist meer een kunstenaar die zijn stilleven bestudeert, met dwingende ogen. Het object van mijn verlangen, dat verre hockeymeisje daar schuin achter mij, werd er in ieder geval niet gemakkelijker van, van mijn dwingend gekijk. Misschien had het invloed op haar concentratie, bedenk ik mij nu, want ik meen me te herinneren dat haar resultaten er niet op vooruit gingen. Ze was zelfs ronduit slecht in allerlei vakken, vooral biologie, herinner ik me, wilde bij haar niet lukken.

Ik, voor mij, ik wilde haar wel alles uitleggen wat ze maar enigszins wilde weten of als ze - in mijn fantasie - weleens naast me zat zou ze zo op mijn werk mogen kijken, zonder probleem. Ze zou naar me mogen overhellen en ik zou mijn arm laten wegglijden, van de tafel af, om haar vrij zicht te geven op mijn zo net mogelijk geschreven proefwerkantwoorden, speciaal meisjesachtig geformuleerd, ja, precies, dat zou ik doen, dan zou ze alles van me mogen overschrijven! En mocht er per ongeluk toch een slimme leraar die twee proefwerken met elkaar vergelijken, dan zou ik onmiddellijk bekennen dat ik het was geweest die had gespiekt, en niet zij!

Zo keek ik naar haar om, daar in die klassen, mijn edele plannen onuitvoerbaar klaar in mijn geest. Ik zuchtte ervan, van weemoed, maar ook van geluk! Eerlijk gezegd was het verlangen alleen mij al genoeg. Het was een machtig iets, dat verlangen, net zoiets als kunst, daar was helemaal geen werkelijkheid bij nodig. Het maakte me spits en creatief. Ik haalde hoge cijfers en thuis leerde ik de hele dag door, terwijl ik dacht aan haar, die moest hockeyen en daarom natuurlijk niet kón studeren, arm  hockeymeisje. Ik zag haar voor me, op het hockeyveld, waar ze trouwens ook niet uitblonk, bleek later, maar dat was in mijn geest wel anders: ik zag haar achter de bal aanrennen, haar hockeystick schuin voor zich houdend en hup, daar stond ik ineens, ik hield de bal voor haar stil, met een zeldzaam goed uitgevoerde block, waarop zij hem er alleen maar hoefde in te schuiven. Push! Wat een schuiver, geweldig! Haar teamgenootjes juichten, de keepster in haar doel veegde met een pijnlijk gezicht het gravel van haar knieën, en zij...! Zij keek naar mij en glimlachte. Daarna zette ik met dubbele energie mijn leerweg voort en stampte de stof er tot de laatste letter in.

Maar het baatte niet. Zij kon het niveau niet aan, heette het, ze bleef zitten en verdween naar een ander schooltype. Ik stroomde, o onrecht, moeiteloos door naar een klas hoger, waar ik niemand had om naar om te draaien of om voor te werken. Mijn prestaties gingen onderuit als wielrenners op een bergkol en aan het einde van dat volgende jaar zat er voor mij niet veel anders op dan een halfwas talenpakket te nemen, met biologie erbij, wilde ik nog enigszins kans maken op het halen van de eindstreep het jaar daarop.

Mijn hockeymeisje zag ik niet meer, sinds dat jaar dat ze schuin achter mij had gezeten. Toch bleef ik nog lang aan haar denken, tijdens die zielloze lessen van mijn pretpakket, waarin ik wegdroomde, mee met haar gezicht dat langzaam maar zeker begon te verdwijnen, het vervaagde als het ware uit mijn herinnering, waarin ze, zonder gezicht nu, alsmaar over het veld bleef rennen, waar ik de hockeybal stopte, zo galant, die zij erin poeierde. Ook zie ik tot op de dag van vandaag nog de kwaadaardige glimlach van haar vriendin, hoe die mij opnam, met haar kleine pretoogjes. 'Ze vindt je lelijk,' fluisterde ze een keer in het voorbijgaan.


Ik kan niet zeggen dat ik nog ergens in uitblonk tegen de tijd dat ik zelf examen moest doen. Op een of andere manier kreeg ik de stof niet geleerd, mijn gedachten waren er niet bij. Biologie was eigenlijk het enige vak dat een beetje was blijven hangen.

In mijn tijd werden de eindexamens ook al afgenomen in de gymzaal, in ons geval in de drie grote gymzalen van de school. Die waren volgezet met tafeltjes, netjes een meter uit elkaar. Daartussendoor surveilleerden de docenten, zes per zaal. Dat dat voor leraren een heerlijke tijd is, echt een uitje, dat weet ik pas nu, daar had ik als benedengemiddelde leerling totaal geen oog voor. Eigenlijk dreef ik alleen maar op paniek, in die tijd. Het was een soort roes. Flarden van 'verplichte eindexamenstof' dreven door mijn gedachten, allerlei vakken door elkaar, en het was maar een geluk als bij bepaalde examens ook de juiste flarden kwamen bovendrijven. Ik was al twee keer de verkeerde gymzaal binnengestapt om vervolgens te worden berispt en weggestuurd door een geïrriteerde hoofdsurveillant - want wie speelde er ook alweer de hoofdrol, zelfs bij de examens... vooral bij de examens? - om in de laatste zaal, waar eindelijk wel mijn klasgenoten zaten, sommigen wat resultaten betreft veilig genoeg om te kunnen gniffelen om mijn gestuntel met mijn tas vol niet- en weltoegestane spullen, om dus in die laatste zaal door de aldaar dienstdoende hoofdsurveillant opnieuw te worden uitgekafferd. Fluisterend. Dat ik bij nog zo'n 'omissie' onmiddellijk 'rechtsomkeert' kon maken. 'Zonder pardon!' Mijn gestuntel gaf me wel de gelegenheid om in een oogopslag zo'n gymzaal in me op te nemen en met zekerheid vast te stellen dat mijn hockeymeisje er niet tussen zat. Een vaag schuldgevoel begon mij onder de preek van zo'n docent-majoor te beklimmen, zeker toen ik in een van die zalen de blik ontmoette van de vriendin van mijn hockeymeisje, die me vuil aankeek.

Zelfs het halen van mijn examen bracht me geen opluchting. Eerlijk gezegd voelde ik me toen, toen het allemaal voorbij was, pas goed vernederd, zoals ik had moeten rekenen en bedelen om tienden van puntjes, bij die leraren die daar gevoelig voor waren, die waren algemeen bekend, maar die je wel heerlijk konden laten bungelen, als ze over hun agenda gebogen zaten te piekeren of-ze-iets-konden-doen, zuchtend, hun rol helemaal uitspelend, die lekkere rol van weldoener zo lang mogelijk rekkend. Als ze dan eindelijk dat pennetje in hun agenda lieten neerdalen om daar eens even wat te kriebelen, een cijfertje om te nummeren, moest je ze nog bedanken ook, terwijl ze al wegwandelden, met die gekwelde blik van: ik kan dit eigenlijk niet maken, snel wegwezen nu, waarmee je definitief bij ze in het krijt stond, het rotgevoel dat je altijd krijgt bij redders, humanitairen en andere opvoeders. Wat dat betreft is er in het onderwijs weinig veranderd, ondanks alle vernieuwing en wat er ook wordt beweerd.

Nou, er was er een en die had me gematst hoor. Bij de diplomauitreiking zat hij in de zaal, op een van de vip-plaatsen, de docententribune, wijdbeens onderuit, overtevreden naar me te knipogen, zo van: wij hebben een geheimpje, hè makker. Toe maar, ga maar halen je diploma... Ons diploma... Ik was er in ieder geval goed strontmisselijk van, van dat zogenaamde document, dat corrupte karton met handtekeningen.

Ook voelde ik me die dag in een moeite door verschrikkelijk neerslachtig. Ik had mijn hockeymeisje van school gekeken, het was mijn schuld dat ze niet had kunnen meekomen.

Ik begon te piekeren over voorvallen van jaren geleden, feitelijk vergeten momenten, die me nu, met dat diploma in handen, ineens weer kwamen treiteren, en die detail na detail uit mijn geheugen spuugden en mij overspoelden met aan kracht gewonnen verontwaardiging, schaamte en vernedering.

Die keer met die bekeuring! Dat was in de tweede. Fietsen op de stoep, vermeldde de feitconstatering. Maar ik fietste helemaal niet op de stoep! Okee, ik was de stoep opgereden en dreef uit, tien meter, tot aan het hek van de fietsenkelder van school, maar ik had mijn been er al overheen gezwierd, dus ik stond met twee voeten op één trapper! Feitelijk al afgestapt dus! Maar nee hoor, mee moest ik, dat stomme politiebusje in, dat pal voor de grote ruit van de hal geparkeerd stond, waar zich op dat moment tientallen medeleerlingen stonden te verdingen om, op het moment dat er weer iemand van zijn fiets werd geplukt, juichend diens naam met daarachter 'is de lul, de wouten laten hem grazen...' te zingen. Een en ander op een goed in zangstem en gehoor liggende overbekende voetbalmelodie. Ik geef toe dat het een uiterst aanstekelijke deun was, dat bleek wel toen ik ruim tien minuten te laat de klas in kwam en het gezang opnieuw op volle kracht werd ingezet, met mijn naam ervoor. Zelfs de leraar, die geïrriteerd van zijn agenda had opgekeken toen ik de deur opentrok, kon nu een glimlach niet onderdrukken. Zo zie je maar hoe muziek alle mensen in het hart raakt. 'Mulle is de lul, de wouten laten hem grazen...!'

'Ik fietste niet!' riep ik, vreemd hoog. 'Ik dreef uit!' Een geweldig lachsalvo brak los en daaroverheen nogmaals het gezellige lied, op dubbele kracht, door de leraar uiteindelijk grinnikend gesust. 'Kom jongens, zo is het wel genoeg geweest.' Er hing meteen een puike sfeer in de klas, dat herinner ik me terdege, een lesdag zou vaker met gezang moeten beginnen, het brengt een vrolijke energie aan. Om de paar minuten schoot er wel weer een in een proestende, aanstekelijke lach.

Maar erger dan dat de hele school nu mijn naam wist met een goedrijmend lied erbij en er, waar ik ook kwam, gegrinnik klonk of een huilerig 'ik dreef uit...!', waarna opnieuw werd geproest, was de herinnering aan een detail, dat ik haarscherp voor mij bleef zien. Ik had gezien, toen ik mijn klas instapte en het lied werd gezongen en ik mij verontwaardigd had verweerd - op een trapper staan met twee benen aan een kant van je fiets ís geen fietsen. Het is feitelijk onmogelijk om zo te fietsen. Dat weet iedereen! Ik dreef uit! - dat ook mijn hockeymeisje in de lach was geschoten, niet grof of pesterig, nee, ze had juist heel vrolijk gelachen, even, met stralende ogen. Een blik zoals ze normaal nooit keek, en al zeker niet naar mij. Die blik stond me glashelder voor de geest, zelfs nog daar op die feestelijke eindexamenuitreiking, vier jaar later, met dat stomme diploma in mijn hand, waarmee ik op zoek was naar een prullenbak. Haar stralende lach, in dat sportgezang.

Ze zeggen dat het goed is als je je ergens in vastbijt. Weten wat je wil! Gewoon lekker doen waar je zin in hebt! Dat zijn de kreten die speciaal voor jonge mensen zijn bedacht, om ze daarmee het zakgeld uit de zak te kloppen. Voor mooie jonge mensen, dan. Godverdomme zeg. Ik had nog nooit lekker-gedaan-waar-ik-zin-in-had, laat staan 'gewoon'. Dat waren de dingen die me door mijn kop maalden, terwijl ik dat eerste en laatste diploma van mijn leven verfrommelde en in een vuilnisbak propte.


Het oppermachtige van tieners is hun palet van mogelijkheden. De waaier van nog niet-gekozen afslagen. Alles kan nog. Er is nog geen meting van krachten geweest, nog geen mislukking. En waar die mislukking al wel is voorgevallen kan dat nog een incident zijn, een te overwinnen barrière, door hard werken of andere omstandigheden of veel trainen te overbruggen tijdelijk onvermogen. Je kunt worden wat je wil! Gewoon lekker doen waar je zin in hebt! Dat wil jij toch ook?! Lekkere kreten. Prima besteed aan tieners. De hele reclameindustrie draait op volle toeren rond die heftige jongeren, die staan te popelen om alles te krijgen wat ze willen, om alles te kunnen zijn wat ze verlangen, 'gewoon lekker' te doen waar ze zin in hebben! Als je mooi genoeg bent dan natuurlijk. Want wie mooi is heeft het recht, wie lelijk is het onrecht. Dat is pas biologie, dat is pas de wetenschap van het leven, een werkelijkheidstractaat.


Het was niet zo vreemd dat mijn hockeymeisje ook op die examenfuif bleek rond te lopen. Haar beste vriendin had immers haar diploma gehaald. Wel een beetje vreemd hoe ze op mij afstapte. Ach toch. Zo lang geleden. Hoe is het nou? Ze vroeg het wel twee keer. Ze had op een categorale mavo gezeten, zei ze. Categoraal sprak ze met trots uit. Een waardemerk, denk ik. De Categorale Mavo. Veel beter. Ze glimlachte zelfs naar me. Daar was ze op het hoogste niveau afgestudeerd, op het A-niveau. En nu de verpleging, hè? Maar hoe is het nou? Op een of andere manier lag voor haar het verleden een heel stuk verderweg dan voor mij, maar dat kan gemakkelijk door van die schoolwisselingen, veel veranderingen rekken de tijd, schijnt. Voor mij leek het in ieder geval nog gisteren dat ik tegen haar aangedrukt stond te zwemmen, mijn hart onder mijn huid, een groot schrijnend zintuig. Voor mij waren al die afgelopen jaren, waar ik zojuist het getuigschrift van had verscheurd en weggegooid, te vatten in één lange slepende dag van moedeloos verlangen, alsof het allemaal nog vandaag was, als het ware.

'Weet je nog?' zei ze en haar ogen straalden, precies als die ene keer, die Mulle-is-de-lul-keer. 'Weet je nog dat brugklasfeest?' ze glimlachte vrolijk naar me en kwam met haar mond naar mijn oor. 'Je was toen zo verliefd.' Ze fluisterde.

Ik rook haar haren, een warme geur die blijkbaar toch ergens in mijn geheugen lag opgeslagen, want hij bracht me onmiddellijk weer in dezelfde staat als altijd, zielstrouw, mijn hart klopte snel en dicht onder mijn huid en mijn hele lichaam werd weer dat zinderende zintuig, dat registreerde hoe zij haar haren schudde en lachte, lief, onweerstaanbaar, maar vervolgens terugdeinsde, geschrokken, het speelde zich allemaal af in een soort vertraging, weer dat geintje met die tijd, die zomaar de jaren tot een dag bijeenklit, maar zo'n ogenblik dan weer ineens eindeloos begint uit te spinnen. Wat was er nou helemaal aan de hand? Dat ik mijn arm om haar nek legde? Terwijl ze me zo sensueel in mijn oor stond te fluisteren? Is dat zo'n tegennatuurlijke reactie? Puur natuur, zou ik zo zeggen, zoals ik haar naar me toetrok en begon te kussen, kuste, terwijl ik met mijn andere hand over haar borst wreef. Het ging me allemaal erg natuurlijk af, dat verbaasde me wel enigszins, zo zonder ervaring, zeventien jaar, die kus en die streling, het was volkomen organisch, die wonderlijke natuur, behalve dan dat zij terugdeinsde en zich probeerde te ontworstelen aan mijn greep. Op de verpleegopleiding leren ze die meisjes heus wel met mensen om te gaan, dat werd me onmiddellijk duidelijk. Ze had een paar grepen en een stoot in huis waarmee ze zo op de afdeling geestelijk gehandicapten hoog niveau kon beginnen, volkomen accuraat geoutilleerd. Ik liet haar onmiddellijk los, instinctief, een knie tussen je benen is een overduidelijk signaal, bovendien schreeuwde ze de hele boel bij mekaar, er was niets over van ons gezellig gefluisterde onderonsje. Dat was al het tweede magische moment dat zij verknalde, zeg. Ineens bleek er een geweldige hysterica in dat kleine meisje te schuilen, je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. (Nooit koersen op een glimlach, mijn zwakte.) Ze haalde met haar goedverzorgde hand naar me uit en krabde me in mijn gezicht. Ondertussen waren er al wat mensen toegestroomd en bleek dat ze toch niet alleen maar lieflijke herinneringen aan mij had gehad, want ze begon me daar flink wat verwijten te maken en te schelden. Wel een beetje ordinair. 'Vuilak! Verkrachter!' Ze begon nu zelfs te huilen. 'Schoft,' snikte ze. Ik wilde snel weglopen, maar er waren teveel mensen om ons heen komen staan. Als van twee ruziënde mensen de een een mooi meisje is, dat huilt, en haar niet-huilende tegenstander is een aardappelige tiener dan weet het publiek onmiddellijk wie de goede en wie de slechte is. Geen woord meer erover. Ik werd aan mijn arm meegesleurd en nog geen paar seconden later zat ik op een kamer waar ik nog nooit was geweest, met vloerbedekking en een bankje. Het kamertje van de decaan. De biecht. In het voorbijgaan had iemand me nog wel een oplawaai weten te geven, recht op mijn gezicht, ik denk alvast uit voorzorg, want erg gefundeerd kwam die woede me niet over. Geen enkele woede trouwens. Maar daarmee had ik wel een bloedneus. Ik hield mijn mouw er maar een beetje tegen. Tegenover mij zat die hele grote zak die me aan mijn cijfertjes had geholpen. Hij schudde aan me en riep me toe. 'Wat is dat? Wat gebeurde daar?!'

'Ik kuste haar,' zei ik. Waarom het moeilijk maken als het eenvoudig is? Toch had ik het beter niet kunnen zeggen. Zo'n lelijke aardappeltiener, wat hij ook zegt, het is provocatie, achter zo'n doorweekte mouw vol roestend bloed, de vuile vegen over mijn gezicht.

'Een diploma onwaardig,' noemde die zak het, die geweldige opportunist, die nu ineens zo'n spijt had van zijn goede daden. Zo zie je maar weer eens hoe er voor een zogenaamd goede daad betaald moet worden, in allerlei valuta: ontelbare wederdiensten, gedrag, vriendschap, liefde, fatsoen, noem maar op, allerlei onbetaalbare eenheden, alleen maar omdat zo'n padvinder je een eindje heeft helpen oversteken, of je een keer tamelijk vrijblijvend van zijn kant heeft gematst, omdat hij toevallig in de positie was om dat te kunnen doen. Dat is niet onbelangrijk, als je je afvraagt waarom ik er zo over doorzeur, want de meeste mensen vinden het tegenwoordig en vroeger ook al, heel normaal, dat iemand aan de ene kant zonder enig levensrisico, zonder enige krachtsinspanning, zonder gevaar, maar slechts op de vleugels van het door toeval bedeelde voordeel, een toevallige positie, zijn zogenaamd goede daad mag doen en daarmee een ander voor onbepaalde tijd aan zich kan binden, en allerlei stinkende voorwaarden mag stellen, onder het mom van dankbaarheid. Woekerrente is het, psychologische slavernij, kolonialistische arrogantie. En zo zat die zak daar ook voor mij, die plantageboer, die toevallig welgepositioneerde pafferige loensige stiekemerd, met zijn magische potlood en gum, Hans Kazan, zoals hij de cijfertjes in zijn agenda kon laten verbleken en weer doen opklaren in een nieuwe vorm. Bah. Hij had spijt van zijn handtekening, zei hij. Dus vertelde ik hem nauwkeurig uit welke prullenbak hij mijn diploma kon gaan vissen om zijn krabbel van de verscheurde prullen te gummen, een karweitje dat ik hem graag had zien doen, die gek met zijn tovergum, maar het leek me beter maar eens op te stappen.

Mijn hockeymeisje heb ik die avond niet meer gezien, en gelukkig ook niet haar vriendin met die kleine oogjes, en ook stond er buiten geen weet-ik-wie breedgeschouderd ietsje-leuker-vriendje met zijn hockeystick klaar om me op mijn lazer te geven, zelfs geen ouder met snuivende automobiel en grootlicht die me wel eens voor zijn bumper door wilde zien lopen, of gnuivende klasgenoten met hun creatieve voetballiedjes. Het zag er buiten allemaal tamelijk onschuldig uit. Leeg, als het ware, een heldere avond, een stille wijk, wat gedempt geluid van een gezellig examenfeest binnen en buiten de fietsen die doodstil wachtten op hun berijders later die nacht, als ze roezig van examengeluk en drank de school weer uit zouden komen druppelen, precies zoals ik nu, de eerste druppel. Mijn neusbloeding was gestelpt, maar mijn gezicht gloeide nog van die nagels en die dreun en natuurlijk ook van woede. Ik piste tegen een stel fietsen aan, trok me af in een kinderzitje en nam de wijk. Tot zover mijn middelbare school.

Brabant Literair, maart 2007

 
 
Made on a Mac

next >

< previous