De wilde binnenvaart

 

De wilde binnenvaart

 

Op de kade staan we, Zegsman en ik, en we kijken uit over het water, waarboven aan de horizon de avond rozerood inzet. De kou zit al in de lucht, volgens Zegsman, oktober staat voor de deur.

'Als ik het over mocht doen,' zegt hij en hij blaast peinzend de rook van zijn sjekkie de avondhemel in, 'dan trouwde ik geen vrouw meer. Begrijp me niet verkeerd, niet om wat er is gebeurd, maar een schipper is nou eenmaal enkel thuis op het water.'

Wat er met hem is gebeurd is eenvoudig verteld, maar niet eenvoudig vergeten, zoals Zegsman het zelf noemt. Na veertig jaar heeft zijn vrouw de benen genomen met de overbuurman. Zo banaal als een broodje bal, zegt hij. Hij had het wel geweten, ergens, maar het niet willen weten, hè? En dan zie je het niet, al gebeurt het pal onder je ogen.

'En voor die vrouw ben ik aan land gegaan,' zegt hij. Toen ze ook nog pontificaal in de woning van die overbuurman ging wonen en Zegsman via haar advocaat alles aftroggelde wat haar nog welgevallig was,  barricadeerde hij zich in zijn huis, nieuwe sloten erop, videocamera boven de voordeur, gordijnen dicht. Zijn auto zette hij vlak naast het hek van de achtertuin en 's ochtends - voor die feestneuzen ook maar van de dag gehoord hadden, zegt hij - was hij al het hek uit en in de auto naar zijn werk. 's Avonds schoot hij in het donker schielijk terug, hekje door, burcht in. Dat duurde anderhalf jaar. Toen de fabriek waar hij werkte een afdeling opende in Zwolle nam hij zijn kans en verhuisde.

'Zo gaat het,' zegt hij. 'De man reist zijn werk achterna, de vrouw haar liefde.'

Zwolle dus. Aan het Zwarte Water. 'Misschien ga ik weer varen... Eens een schipper, altijd een schipper.'

Ik heb met hem te doen, met Zegsman. De brutalen hebben de halve wereld. Maar wie komt er op voor de voorzichtigen? De subtielen? Het kwetsbare dat alles van waarde vertegenwoordigt? Ach, ik voel me aan hem verwant, dat is alles. Voor mij ook geen liefdesperikelen meer, al heel lang niet. Ik heb ook zo mijn herinneringen, het doet er niet toe. Mijn ex-vriendin had ook een ander gevonden. Wat valt erop te zeggen? Niks. Het is al lang geleden. Voor mij had ze toch ook ooit een vriendje verlaten? Een heel normaal patroon, dat iedereen begrijpt. Dat vriendje smeet haar nog zijn sleutelbos naar haar hoofd terwijl hij riep: 'en onze seks dan? Ben je die soms vergeten?' Dat vertelde ze mij in het begin van onze liefde en ik moest daar hartelijk om lachen, ik meende toen nog dat ik de laatste in de serie was.

Dan begint Zegsman te vertellen. Hij vertelt altijd hetzelfde verhaal, van de binnenschipper die parlevinker werd en daarna de wal op ging, zijn levensverhaal. Ik heb het al vaak gehoord, want als-ie klaar is begint-ie gewoon weer vooraan. Net de parlevinker zelf, die koppelt aan en laat zich meevoeren, stroomopwaarts, koppelt dan af en aan de volgende weer aan, de andere kant op, stroomafwaarts. Een soort ademen, of het leven zelf, man en vrouw, noem maar op, stukje op stukje af, stukje samen stukje los, de een na de ander, alles in een oneindige pendelgang.

'De wilde binnenvaart,' zegt hij. 'Dat was zo'n prachtige tijd. We waren pas getrouwd en jong. Je wist 's ochtends niet waar je 's avonds zou zijn.' Hij tuurt in de verte over het water. Daar in die rode avondlucht verschijnt zijn verleden, weerspiegelend in zijn ogen. 'Je voer niet onder contract, maar gewoon op de bonnefooi, moest zelf achter je vracht aan. Soms moest je dagen wachten voor je iets kreeg. Maar dat gebeurde ook weleens bij het lossen. Had je drie dagen gevaren, de Maas op, Frankrijk in, kwam je bij zo'n gammele ouwe kraan. Die hield er na een uur ineens mee op. Daar zat je met je ongeloste vracht. Dan ging je zo'n stadje maar in, kijken of er wat te beleven viel.' Hij kijkt mij aan met gezag. 'Ik ken alle binnenhavens van Europa.'

Ik knik. Zegsman is een fijne vent. Hart op de juiste plaats, dat is wat ik denk. Al vertelt-ie duizend keer hetzelfde.

'Een andere keer had je geluk, dan ging je met een vracht heen, had je meteen een mooie vracht terug. Dan verdiende je dubbel. Je was eigen baas, hè? Dat was het mooie risico. De ene keer weken stil, de andere keer nachten doorvaren. Dan nam je een matroos erbij of je koppelde aan aan een collega, als de vracht groot genoeg was. Ach, het kon ons niks schelen, we waren verliefd, het water is altijd mooi, we hadden geen zorgen die verder strekten dan de volgende ochtend. Een stokbrood en een kuipje St. Morêt, daar konden wij het al mee. En koffie. Sloten koffie. We dronken meer koffie dan er water was in de rivieren.'

Af en toe zoek ik Zegsman op, dat-ie niet zo alleen zit. Zijn dochter wil hem niet meer zien. Ze kan zijn verhalen niet meer aanhoren, schijnt. 'Je leeft in een illusie!' zegt ze. 'Waarom denk je dat mama bij je weg is?'

Zegsman haalt zijn schouders op. De onrechtvaardigheid van het leven. Ik kijk met hem mee over het stille water de avondhemel in, prachtig decor voor ons beider gloedvol verleden, ieder zijn eigen. Turen staat een man goed, denk ik dan maar, zoals een glimlach een vrouw. Die dochter van hem trouwens, dat is mijn ex-vriendin. Belangrijk is het niet, een detail, maar het verklaart onze verwantschap in meerdere opzichten.

'Toen kwam dat ongeluk bij de brug van Koblenz,' vertelt Zegsman. 'Daar waren wel een stuk of zeventien, achttien doden. En dan nog al die vermisten. Die zijn nooit meer teruggezien. Ik stond aan het roer en kwam net aanvaren. Voor me zijn ze die brug aan het bouwen. Voor de helft hangt-ie al over het water, klaar. Daar zijn tientallen mensen bezig het brugvlak te verlengen. Ik zat er zo'n vijftig meter vanaf. Vanaf hier naar de oever, zie je hoe dichtbij dat is? En ik zie die brug knikken. Twee keer. Ik roep de matroos. Kijk ik wel goed? Het was warm weer, dan kan de lucht boven het water trillen. Op hetzelfde moment dat de matroos bovenkomt stort die brug in. Twee keer knikken en rang!

Onder de brug hing een loopsteiger. Al het brugpersoneel dat daar werkte... We zagen ze met brug en al gaan. De hele boel stortte op een schip dat er net voor mij onderdoor ging. Dat zonk ook.'

Hij zucht en graaft in zijn zak naar zijn shagbuil.

'Ik ging onmiddellijk volle kracht achteruit en er zat er een achter ons die dat gelukkig ook deed. De vrouw kwam boven, geschrokken. Toen hebben we pikhaken gepakt en zijn in het gangboord gaan staan, dat we iedereen die we zagen uit het water konden vissen. Maar we hebben niemand meer gezien. Allen maar wrakhout en troep. Geen enkel mens.'

Zegsman kijkt verslagen voor zich uit. Zo lang als hij me dit verhaal al vertelt, nog steeds grijpt het hem aan. Hij draait zijn sjekkie.

'We zijn op de kant gaan staan, met knikkende knieën. We konden geen woord tegen elkaar zeggen. Binnen drie minuten was het daar een zee van zwaailichten. Politie, brandweer, politie te water, ambulances. Het moet gezegd, dat deden ze snel, die Duitsers. Tot 's avonds laat ging het door, de zoekacties. En wij zijn daar maar blijven liggen. We konden niks. We hebben goed lullig in het water staan kijken of we nog iemand zagen. Toen de vaart de volgende middag vrij werd gegeven zijn we gaan varen. Mijn matroos is in de eerstvolgende haven naar huis gegaan. Die heb ik zes weken niet meer teruggezien. Die wilde niks meer met scheepvaart te maken hebben.' Zegsman plukt een eindje tabak van zijn saffie en steekt het ding tussen zijn lippen. In zijn zakken tast hij naar zijn aansteker.

'Dat was de brug bij Koblenz. Ik zie die mensen nog lopen op die steiger. Jaren later ben ik er nog eens overheen gereden. Weer met knikkende knieën. Ik zie die palen... Over twintig jaar zie ik het nog. Ik rij nog liever tien kilometer om dan over die brug te moeten. Ik was al aan het laveren om eronderdoor te gaan. Vijftig meter...'

Hij steekt zijn peuk aan en blaast de rook over het water uit.

'Ik zie ze nog lopen...' Er zit een floers om zijn stem. 'Ploeteren voor een baas, die ze achter de vodden zit. Waarschijnlijk voor een rotloontje.' Hij wrijft zijn vuist langs zijn neus.

'En toen is de vrouw angstig geworden, hè. Ze durfde niet meer. Toen heb ik eerst vanalles gedaan,  ben zelfs nog bewaker geweest op bunkereiland, waar de boten tanken. Baggeraar, heb ik ook gedaan, op een baggerschip van Van Vollenhoven Smolders. Ik ben zelfs nog een maand toeristenkapitein geweest op zo'n omgebouwd vrachtschip. Daar plaatsen ze voor de zomermaanden gewoon een blok kajuiten in,' legt hij uit. 'Voor bejaardentochtjes over de Rijn.' Hij schudt zijn hoofd en glimlacht. 'Die toeristen,' zegt hij. 'De truc was om in zo'n aanmeerplaats rustig de wal op te slenteren in de richting van een bepaald café. Een paar van die toeristen volgden vanzelf, op een afstandje: waar de kapiten gaat zal het wel goed zijn. Binnengekomen dronk je dan je drankje van de zaak, wandelde achter de bar om je provisie op te strijken en verdween langs de keuken door de achterdeur naar waar het echt gezellig was...' Hij straalt alweer, de haven, de vrouwtjes van plezier, je moest de plaatsen kennen.

'Maar toen ben ik dus gaan parlevinken, met spijt,' zegt-ie, 'zo'n winkel op het water, weet je wel?'

Ik knik. Ik weet het wel. Hij heeft het me al honderd keer verteld.

'Het was in ieder geval voor de vrouw een stuk rustiger. We woonden op een tjalk in de Piushaven in Tilburg en op net zo'n tjalk ging ik de Zuid-Willemsvaart op en neer. Leve de man van de SRV, maar dan op het water. Maar toen ze de helft van de Piushaven gingen dichtgooien moesten alle woonboten weg. Alleen de werkschepen mochten blijven liggen. Ik vond onze woontjalk ook een werkschip. Oké, we sliepen erop, maar in die tijd, we waren jong en al, wij hadden genoeg aan een matrasje. Een matrasje, een olielamp en een gasstelletje voor de koffie. De rest van het schip zat tjokvol voorraad. Die tjalk was ons depot! Dat ben ik op het gemeentehuis nog gaan vertellen. Verfblikken, touw, en alles wat verder op voorraad kon worden bewaard, nodig voor het parlevinken. Een werkschip dus. Maar de gemeente dacht daar anders over. Het einde van het liedje was dat ze me hebben weggesleept. Regeltjes, hè. Rare business...' Hij kijkt voor bijval naar mij, dus ik knik maar weer.

'Had je de vrouw moeten horen,' zegt-ie. 'Ineens ging de koffie eroverheen. "Volgens mij zijn we los Rinie," zei ze. Ik stond al op het dek. 's Ochtends half vier. Dat hebben ze van Hitler afgekeken, de beste tijd voor een razzia, en zo doen ze het nog steeds, die gemeentes. Maar die jongens zelf waren geen kwaaie jongens. Ze deden gewoon hun werk. De vrouw heeft ze nog koffie gebracht. Ze hebben ons over de Zuid-Willemsvaart gesleept door Den Bosch heen. Ik voelde me net Sinterklaas.' Hij glimlacht, maar de vernedering staat nog in zijn ogen. 'Ik heb maar wat om mee heen gezwaaid. Tussen de rietpluimen door langs de munitiefabriek en de Koninklijke Campina de stad in. Tussen de Antoniebrug en de Hinthammerbrug waren klanten van me aan het afmeren. "Averij, Parlevinker?" riepen ze in de ochtendmist. "Razzia," riep ik terug. Allemaal lachen. Die hele Zuid-Willemsvaart zijn we overgetrokken, langs het ziekenhuis en bij de citadel de stad weer uit, langs de haven, de Verkadefabriek en bij de Veehallen de Dieze op. Van daar af naar het Westen. Eigenlijk was het de bedoeling om ons bij Geertruidenberg in de haven te leggen, maar dat werd geweigerd. Toen hebben ze ons naar de Biesbos gesleept, bij Hank. Midden op het water zijn we losgemaakt. Geen steiger, geen stroom, niks. Drinkwater en boodschappen moesten we halen met de roeiboot. We waren net een besmet schip. Doordeweeks bleef ik toen over op het bunkereiland in de Piushaven, ik had daar nog bewaakt, die jongens hadden wel een hoekje voor me. Heen en weer varen was gewoon niet mogelijk. Zat de vrouw daar alleen in de Biesbos. Dat is alleen maar leuk voor toeristen, hè? Ik kwam in het weekeinde wel thuis. Maar met een ontevreden vrouw op een schip, dan woon je klein. Niet veel later zijn we dus de wal opgegaan.'

Hij kijkt me aan en zucht. 'Een vast huis,' zegt hij spijtig en hij tuurt weer in de donkerende avondlucht boven Zwolle, waardoor het water nu wat lijkt op te lichten, spookachtig bijna, betoverend, het aura van de rivier. 'Dat komt ervan, hè, als een man niet trouw blijft aan zijn werk. Dan blijft er niks van hem over. Die overbuurman, dat is in die tijd begonnen. Weet je veel, zo'n landrot.'

Terwijl Zegsman nog een sjekkie rolt peins ik over mijn eigen herinneringen. De liefde! De onbegrepen liefde. Er zat iets rusteloos' in onze relatie, al vanaf het begin. Als ik thuiskwam stond het meubilair ineens anders. Mijn vriendin zag die onrust zelf meer als gezelligheid, en ik liet haar, zoals mannen dat doen. Dat kunnen wij goed, de vrouw laten, alleen weten we niet precies tot waar. Dat is voor de man altijd moeilijk: tot waar de vrouw te laten begaan. 'Ik wil niet dat je nog naar hem toe gaat,' riep ze weleens. 'Hij is míjn vader!' Soms bleef ik dan thuis, terwijl zij rondbanjerde en woest de meubels verplaatste.

'Daar in de verte,' wijst Zegsman, 'zie je het Zwarte Water aansluiten op de IJssel. Over water kun je vanaf hier overal naartoe. Naar de grote rivieren, naar de kust, naar Duitsland over de Rijn of Frankrijk, via de Maas.'

  De nacht heeft nu ook het westen bereikt en de kou begint vanaf de oever omhoog te trekken. Zegsman voelt in de zak van zijn jas. Er komen warempel twee flesjes bier uit. 'Pilsje?'

'Jazeker, Parlevinker,' zeg ik. Hij lacht. De opener heeft hij al een leven lang aan zijn sleutelbos hangen. 'Op het water koelden we het bier in een schepnet achter de boot,' zegt hij.

'Al die praatjes! Alsmaar dezelfde praatjes, die verhalen van hem,' beweerde mijn ex-vriendin weleens op hoge toon. 'Merk je dat dan niet?'

'Nou én?' zei ik dan. 'Ik vind ze prettig om naar te luisteren. Ik mag die man graag. En zijn verhalen horen bij hem. Ze hebben iets vertrouwds, waar ik me bij thuis voel, als een huis waarvan de meubels wél op dezelfde plaats mogen blijven staan.' Dat had ik natuurlijk beter niet kunnen zeggen.

We drinken in stilte terwijl de nacht verstilt en verkilt en onze adem zichtbaar maakt.

'Eigenlijk,' zegt-ie, 'verwijt ik het het meest mijzelf.' Hij peutert aan de opener aan zijn sleutelbos. 'Van de wilde binnenvaart werd ik parlevinker. Dat had ik nooit moeten doen. Het begin van het einde. Een schipper die kruidenier wordt. Die sleeptocht over de Zuid-Willemsvaart, door Den Bosch, als de eerste de beste misdadiger te kijk voor iedereen. Dan kun je nog zo de Sinterklaas uithangen, maar in je hart weet je dat het niet goed is. Dat was het moment dat ik wist dat het allemaal mis zou gaan. Als man, hè?' verduidelijkt hij. 'Je denkt, ik volg die vrouw, ik maak haar gelukkig. Maar je kunt een ander niet gelukkig maken. De wervelwind, werd ze genoemd, al toen ze nog kind was. Ik vond dat lief aan haar, dat dwaze. Er gebeurde nog eens iets. Ze kon het hele schip versieren. Voor een verjaardag!' Hij kijkt me aan. 'Een verjaardag...' zegt hij nog eens. 'We leken wel een kerstreclame, al die lampjes aan de plecht en op het dek. Een varende kerstboom.' Hij haalt zijn schouders op. 'Het is ook leuk. Een man doet zoiets niet. Dat doet alleen een vrouw. Maar door haar heb ik me wel de wal op laten praten. En dan ben je er natuurlijk geweest. Uit je element, hè,' zegt hij. 'Wat kenden wij elkaar nou? Wij trouwden toen we eenentwintig waren, dat was zo'n andere tijd. Roken, bier drinken en een kunstgebit, dan hoorde je erbij. Dan was je als man volwassen. Ik had mijn kunstgebit op mijn twintigste...' Hij voelt eraan met zijn tong. 'Die tanden van mij, bruin en vol gaten, nooit onderhouden. "Haal ze d'r maar uit," zei ik tegen die tandarts. Dat deden ze toen nog gewoon. Tegenwoordig doen ze dat niet meer. Zo'n andere tijd...'

Aan de andere oever wordt een schip aangemeerd. 'Die is er laat bij,' zegt Zegsman. 'Dat komt van de contractvaart, hè? Ze varen tegenwoordig tegen tonnageprijzen, per duizend liter. En er zit een boeteclausule op! Kom je te laat, dan heb je drie dagen gewerkt zonder iets te verdienen. Het moet allemaal in steeds kortere tijd. De poëzie is er wel af tegenwoordig, in de binnenvaart, het zijn al net zulke jakkeraars geworden als op de weg. Maar let op mijn woorden: het komt weer terug. Vanzelf. Over het spoor vlot het niet, de wegen slibben dicht.' Hij zet zijn voeten iets uit elkaar, de schipper staat al klaar, hier op de oever aan het Zwarte Water in Zwolle.

'Straks,' zegt hij, 'over een jaar of wat, dan zul je zien. Dan wordt er weer volop gevaren. Dan zullen ze me nog hard nodig hebben.'

Het wordt echt te koud nu, maar ik zal de schipper niet vertellen dat we de kade af moeten. Laat die man. Hij is in zijn element. Hij draait zijn zoveelste sjekkie en straalt. Hij is een stralende man.

Domme vrouw, denk ik. Gaat gij naar de vrouwen, vergeet dan niet de zweep, wordt er gezegd. Maar we vinden ze schattig, hè, zo'n wervelwind, die van de ene naar de andere waait, we zitten op onze versierde boot of tussen onze verplaatste meubels en denken er verder niet over na. Tot ze weg zijn. Dan mieteren we die stomme lampjes het water in en als we de kans krijgen smijten we die vrouw nog een sleutelbos naar haar dwaze kop. Ach ja, het is allemaal onze eigen schuld. We moeten gewoon dichter bij onszelf blijven, bij ons werk, onze kracht. We moeten emanciperen! Dat is het!

'Kom,' zegt Zegsman, 'we gaan de kroeg in.' Hij werpt zijn lege bierflesje achteloos in de plomp, een routineus gebaar. Ik volg zijn voorbeeld. 'De schipper kent de weg. Volg de kapitein...' Hij kiest uiteraard het meest schimmige kroegje op de kop van de kade. Café het Zwarte Water. De ramen zijn van dik rondgeslepen glas, alsof we door de bodem van ons eigen glas naar buiten kijken. Binnen is het warm en een gelig licht toont schilderachtig de paar gasten die aan de bar en aan de tot statafels omgebouwde regentonnen zwijgend staan te drinken. Een blik van Zegsman is genoeg voor twee bier. Goeie kroeg. In de hoek zit een man bij wie zich niet lang nadat Zegsman en ik aan onze regenton zijn gaan staan een laatkomster voegt.

Zegsman en ik nippen zwijgend aan ons bier, ook al zo'n vergeten schipperskwaliteit, en we luisteren met een half oor naar het gesprek aan de belendende tafel. Bij binnenkomst van de laatkomster is er wat commotie. Want van alles wat er in de tijd is veranderd, dat de parlevinker niet meer bestaat en de binnenschipper al net zo'n jakkerende neuroot is geworden als de gemiddelde automobilist, en dat tandartsen niet zomaar meer alle kiezen en tanden van een twintigjarige trekken, nog steeds verschijnt een mooie vrouw ruim te laat, met een verontwaardiging van eeuwen, vol ontsteltenis van een haar zojuist overkomen onrecht (onrecht in de zin van haar superieure schoonheid en de regards die daar vanzelfsprekend op zouden dienen te volgen en blijkbaar niet zijn gevolgd) en trekt zij ogenblikkelijk alle blikken van alle mannen aan alle statafels naar zich toe.

De man begint zich bij haar binnenkomst energieker te gedragen. Zegsman en ik horen het aan, het spel van alle eeuwen en mensen en werelden. Hij speelt zijn rol van vaste klant, en wil achteloos voor haar betalen, gezien worden als betaler, als succesvolle man. De laatkomster weet allang hoe ze zo'n Samson om haar vinger moet winden. Ze speelt zijn spel mee en laat hem deemoedig betalen, die ziel, luistert vervolgens charmant oogluikend naar zijn grote verhalen.

Zegsman en ik denken er het onze van. Straks pijpt ze hem in slaap, dat is wat ik denk, en vannacht knipt ze zijn haren af. Daarna zal ze met lampjes en het verschuiven van de meubels haar gezelligheid beginnen aan te brengen.

Glimlachend stappen Zegsman en ik maar eens op en even later slenteren we weer zwijgend over de kade. Het is ondertussen al een aardig eind in de nacht geworden, bijna het razzia-uur, en het water ligt zwart naar zijn naam en likt de kade.

Natuurlijk hoop ik dat het ooit goedkomt tussen mijn vriendin en mij. Dat ze terugkomt, als ze is uitgewaaid, zeg maar. IJdele hoop. Ach, het is onbelangrijk. Ik schud de gedachte van me af.

'De wilde binnenvaart,' zegt Zegsman. 'Dat was de mooiste tijd. Maar zij durfde niet meer. Na het ongeluk bij Koblenz. Dat parlevinken hoefde voor haar ook niet. Die sleeptocht door Den Bosch was de druppel.'

We gaan zitten op de kade. Zegsman tast in zijn binnenzak en haalt er warempel nog een flesje uit ook. Eens een parlevinker... We delen het broederlijk.

'Die dochter van mij,' zegt hij en hij zwijgt even. 'Ze is net zo'n wervelwind als haar moeder...'

Ik knik woordenloos terwijl ik zijn flesje sterk spul aan mijn mond zet.

'Dat is ook leuk,' zegt hij vermoeid.

'Het is ook leuk,' zeg ik.

Ik geef hem zijn flesje terug en bekijk hem eens goed van opzij, terwijl hij dat ding aan zijn lippen zet. Zegsman, dat verweerde gezicht en zijn kleine oogjes die gaan stralen als hij aan het water zit.

Heb je het nou echt allemaal meegemaakt, wil ik hem vragen. Ben je echt ooit schipper geweest? Maar ik zwijg. Wat maakt het uit? En zwijgend kijken we uit over het water en we drinken om beurten.

'De wilde binnenvaart,' zegt hij dan. 'Dat was zo'n mooie tijd. Als ik je daarvan vertel...'

 

in de bundel: Het geheim van de Zuid-Willemsvaart (nog niet verschenen!)

 
 
Made on a Mac

next >

< previous