Moraal, fatsoen en hooglied
Moraal, fatsoen en hooglied
Moraal, fatsoen en hooglied
Heden, 29 october 1602 of 2006, want moraal is van alle tijden, verscheen voor u, de rechtbank van Rechtschapenheid, Vicaris Wansink sj, dat is in vol ornaat wel te verstaan. Toog, supperplie, wit en correct gesteven, maar toch aan de hals niet dichtgebonden, onder een klokkend en driftig op en neer springend strottenhoofd, een onrustige vogel in de keel, zoals dat bij uw rechtbank ter griffie kan worden vermeld.
Vicaris Wansink sj, om U te dienen, Heer, maar natuurlijk ook u, stomme uilskuikens van het fatsoen daar achter de hoge kansel van uw gelijk, zo zelfingenomen met uw achterlijke pruikjes en beffen, mijne heren van lik me sjerp, wacht, dat ik niet mijn toga voor u oplicht om u mijn schijnende achterste te laten zien, half rond en geel als de maan, net zo vol kuilen ook, want ik kak op elk gezag behalve het Allerhoogste, mijne heren draaikontenlikkers die het zo ver geschopt heeft met leugens en omkoperij dat ik u graag met uw glibberige tong aan mijn aars zou gebieden juist op het moment dat een goedgebraden en welgenoten ribstuk van den vorigen avond zich aandient en de sluitspier reeds begint op te rekken voor zijn blinde nat riekende kop.
Godjezus! Wat een rechtschapen godsvruchtig man zich niet allemaal moet laten welgevallen in deze tijden van ver doorgeslagen schijnmoralisten, die een mens van zijn bed komen lichten alsof hij een varken was dat ter slacht moet worden verrast. Nou, verrassen deed u mij zeker, mijne heren doodvonnissers. Ik sliep! En met uw welnemen in de armen van een prachtige meid, de jongste dochter van de smid, jazeker, dat hebt u goed gezien met uw koortsogen, prikkend van jaloezie. Dat ze naaide als de jonge God, deze smidsdochter met haar roomblanke dijen en dennengeurig haar, kan ik u nog wel vertellen, want dat hebt u lekker niet kunnen aanschouwen, en toch, had mij slechts tien minuten respijt gegeven dan had u eens wat kunnen zien, maar ach, laat ik er niet teveel over piekeren, dat geeft loden dromen, maar dat het een doodzonde mag heten dat moet gezegd, want dat was het, godgeklaagd, zoiets zou nu eens berecht moeten worden in jullie angstgericht, op zo’n tijdstip te komen binnenvallen, godskolere, stelletje flikkers, zo’n hete meid. Dat arme kind is natuurlijk voorgoed gevlogen. Dat zit ergens doodsbang bibberend te vrezen voor de toorn van de rechtsdienders, haar stompzinnige vader voorop, die haar in het beste geval een rammelende beurt zou willen geven vol opgepotte en verstokte drift, waar ze voorgoed het walgen van zal opsteken. Nee, mijne heren syphillusdragers en -verspreiders, dan had u haar in mijn sponde moeten zien gaan. Zo behaaglijk als ze draaide en schudde, haar drooggezuchte mondje halfopen en daarvandaan die werkelijk schitterende kreetjes. Ze lustte er wel pap van, zogezegd. Het bracht een blos op haar wangen en haar lange haar lag wanordelijk rond haar snoetje, sommige strengen aan haar verhitte smoeltje gekleefd. Maar laat ik het niet teveel oprakelen, daar word ik maar droevig van...
Mijn demon is de begeerte, waarde heren gespuis, ik zeg het u maar vast voor. Ik kan ze eenvoudigweg niet weerstaan, die prachtige parels van de schepping, ik heb dat altijd gehad, zo lang ik mij herinner.
Mijn werkelijke openbaring kwam op precies de dag dat ik uit het seminarie stapte, de Heer was mij genadig met een verblindend inzicht, zoals ik mij, eindelijk weg uit die muffe kerkers van de zogenaamde wijsheid, waar vreemde kerels met bonkige hoge voorhoofden en zacht zoemende stemmen hun onontwarbare retoriek zingen, gedragen op hun stinkende adem van miswijn en rottend gebit, want wie niet met zijn lichaam leeft gaat van binnen rotten en raakt aan de drank, dat is algemeen bekend, zoals ik mij aldus met lichte tred het dichtstbijzijnde dorp tegemoet begaf. Ik zag en ik begreep, waarde heren schelen en blinden (en slechthorenden) van het volksgericht, ik zag en ik begreep de hele omvangrijke zinnelijke bedoeling van de schepping in één oogopslag. Daar moet ik wel bij vertellen dat het zonnetje hoog aan de hemel stond, er een decente bries over de velden ging die de illusie van reinheid het land in blies en daar, pal in mijn blikveld, op een terp, een struise jonge boerenvrouw stond, oudste dochter van de familie, gekromd bij het wieden van gras uit de greppel.
Het is in die greppel, op de zachte ondergrond van het door heur handen gewiede gras dat ik mijn werkelijke bestemming vond. Amaai, ze was niet zachtzinnig, die jonge boerin, maar na zeven jaren seminarie was het me toch een bijzonder welkome aframmeling, het overstemde met gemak mijn in al die jaren opgedane kennis van weet ik wat allemaal, dat werd zelfs totaal onbelangrijk, in één ogenblik, daar in die greppel onder de brede handen van die boerendochter. De humor van God zelf. Fenomenaal! Ze vertelde me dat ze ze allemaal benaderde, die daar langsgedwaald kwamen van hun grijze geloofsgevangenis met knipperende ogen tegen het licht, nu al verdwaald, op weg naar een toekomst vol angst en dogma en gevoeglijke armoede. De meesten vluchtten in hoge mate van innerlijke verwarring de velden in nog voor zij ze goed en wel beethad, vertelde ze, maar zo'n geval als ik.... Een verborgen talent, zei ze en ze schortte haar rokken nog eens op.
Ik heb vele talenten, zoals dat mag worden verwacht van een priester, een dienaar Gods. Ik kan u vertellen dat ik net zo gemakkelijk mijn weg weet te vinden in de volstrekt geforceerde redenaties van de HH filosofen als in de partiturae van Palestrina, het gefantaseer van Herodotus zowel als het middelmatige gezwets van Tacitus, die zijn naam eer aandoend beter had kunnen zwijgen, dan zijn volstrekt tijdbeperkte visies in het reine compacte Latijn te verpakken.
Maar de werkelijk Heilige Muze heeft mij nog altijd het meest onstuimig bestormd, niet in denkbeelden, niet in kronieken, poëzie of muziek, maar in de vorm van een jonge meid, soepel maar stevig in het vel, haar zachte pasgewassen haartjes en haar frisse lichte zweet. Een kind met in haar vurige ogen een broeierige blik, puur instinctgestuurd, dat! Daarvan sloeg ik aan het dichten en stichten en wat niet al! En natuurlijk, niet te vergeten, aan het jagen. Want de man mag jagen, dat is in de schepping beloofd. Het zit in zijn genen en in zijn fysiek. Hij hoeft er als het ware maar achteraan te dansen, achter zijn wapen, kortom, ik heb altijd, van zo jong ik mij herinner, mijn talenten ingezet op de jacht, de vurige jacht. Nu ja, zo veel mogelijk naaien en de rest is flauwekul, daar is het zo ongeveer mee samengevat, maar goed, een mens moet ook overleven tussen en dus verkeren met de hypocrieten en fatsoensridders, die elke luchtige naaipartij wel de molensteen van het laatste oordeel om willen hangen in plaats van God en Zijn schepping te heiligen en te eren. Afijn, ik zal u vertellen hoe het mij verging, voor ik hedenochtend in de nog als nacht vermomde morgen op zulke ruwe wijze mijn stee werd uitgesleurd door uw huurlingen, geachte uilskuikens van de rechtsorde, want ik kan u verzekeren: het vraagt behoorlijk wat talenten, eloquentie, stuurmanskunst, muzikaliteit en warmhartigheid en dat alles op diverse niveaus, om die bloedmooie liefjes het bed in te kletsen, want ze zijn zo jong als gras en hun schitterende dierlijke vermogens liggen nog vaak diep weggesloten in de door pappie en mammie met moraal en angst omsloten vesten van de ziel. Je moet ze enorm paaien, wat ik u brom. Paaien en boteren.
Eerst en vooral zal ik u vertellen waar ik haar vond, dit fijne diertje, het was een meditatief moment, jazeker, tijdens de katechesatie van de groep junioren, de appeltjesgroep, in de hermetisch van geluid afgesloten ruimte van mijn bibliotheek, de eminente plek voor ontroering. In mijn linkerhand had ik het Boek der Boeken, opengeslagen op Koningen II, terwijl mijn rechterhand door de flinterdunne bladzijden bladerde en waadde. Het is altijd dat hoofdstuk geweest dat mij zinnelijk het meest beroerde en terwijl de zachte melodie van begeerte in mijn lichaam begon warm te zingen en mijn vingertoppen de pagina streelden keek ik op en wel recht in de ogen van dat werkelijk schitterende stuk schepping, voor mijn eigen ogen, zeg, en het zonlicht daalde juist door het glas-in-lood-raam neer en streek haar zijdeglanzend haar aan en, afijn, haar lichtende ogen keken naar mij op en ze beet op haar lip! Dat detail, waarde stinkende lettervreters van het zwetsgericht, dat detail is voor werkelijk gevoelige zielen een te groot iets, een te overweldigend iets, deze manifestatio omnium van de schoonheid zelf. Ik zong alle talen, innerlijk, op dat moment, en ik weet niet eens meer wat ze vroeg, dat schaapje, het zal wel de vertaling van een woord zijn geweest, canticum canticorum, zoiets, welke ik haar zeker zal hebben gegeven, zonder meer, want ik weet mijn verantwoordelijkheden, waarde aarsgluurders, en ten gelijken tijden wist ik zeker, het stond eenvoudigweg vast, dat deze schoonheid mij zou toebehoren, ik besloot al mijn wapens op haar in te zetten, dit engeltje dat mij eerder schijnbaar nog niet was opgevallen in de groep van junioren. Er is nou eenmaal een moment van ontluiken van de knop tot bloem, waar of niet, noem het lente, en die dag was gekomen voor de dochter van de smid, het gebeurde pal voor mijn ogen, o genade Gods, pal voor de ogen van Uw Dienaar, die zich natuurlijk heeft vermaard in de kunst van de onderscheiding. Want schoonheid kan slechts bestaan in de omgeving van wie daar oog voor en kennis van heeft. Kijkt u maar naar uw eigen gemeenten, waar altijd weer de argumenten van grote natuurlijke en kunstige klasse het moeten afleggen tegen praatjes over snel, goedkoop en nog veel opbrengend ook, een zeldzaam fantasieloze filosofie, die iedereen zo in de ban heeft dat niemand door lijkt te hebben hoe de zuiverende werking van grote schoonheid een hersenverhittend dwalen kan verschonen en woekering van geest kan voorkomen. Denkt u daar maar eens aan, stelletje neurotische dwangfantasten, zo heet als u mij hier zit aan te staren, vol van lust en drift om mij eens even wat sappige ontboezemingen te horen doen, waar u dan vannacht in woede en verkrampte haat tegen alles wat u omgeeft en tegen u zelf in hoogste instantie walgend op kunt klaarkomen.
Maar laat mij u waarschuwen: er bestaat niet zoiets als een uitlaatklep. Dat is een misvatting. U zult er de verslaafde verschijnselen van ondervinden nog voor de nieuwe maan is aangewassen. Voorwaar, ik zeg u, er is geen zuivering in een uitlaatklep, dat is slechts woedeverhogend en leidt tot woekering van lust en ziekte. De enige echte zuivering is in de confontatie met schoonheid, pure lichamelijke en geestelijke schoonheid. Zoals van een jonge smidsdochter in de kathegese.
Wat een schitterend moment, waarde fatsoensaarzelaars, daar in mijn ruime en stille bibliotheek, temidden van de genegen zwijgende geschriften van de wijzen, en wat een dienovereenkomstig standvastig besluit. Ik zou deze jonge vrouw in mijn sponde leiden, met zachte, vaderlijke hand en haar het alfa en omega van de liefde laten beleven, dat daar al in haar diepste wezen borrelde en klaar was om haar te overstromen. Wat een geluk, wat een inspiratie! Ik juichte innerlijk en mijn ingewand sprong op! Ik moest zeer zorgvuldig te werk gaan, alle tijd nemen en toch regelrecht op mijn doel afkruisen, ik had al mijn krachten nodig. Ik kuste het boek der boeken en sloot het beheerst - beheersing, vanaf nu zouden mijn daden slechts beheersing als motor hebben - terwijl ik zei: 'Canticum canticorum, dat betekent lied der liederen,' en haar in de ogen keek. Zag zij - onbewust?- al het heilig vuur vlammen diep in mijn pupil? Ik moest oplettend zijn en nauwkeurig gadeslaan.
'Hooglied is een te hoogdravende vertaling. Het gaat hier niet om hoogdravend te zijn, maar essentieel.' Of ze snapte wat ik zei, ik heb geen idee, maar zij had haar ogen al neergeslagen en wachtte tot ik haar zou terugzenden naar haar plaats, maar ik legde mijn hand op haar schouder - umerus dulcis, het zachte vlees en jonge bot, haar bloemig kleed van eenvoudige stof etc. - en leidde haar, noem me maar ouderwets, naar haar tafeltje terug.
U kent net zo goed als ik de moeilijkheid van een man van boven de dertig. Zegt u nou zelf, waarde heren gluurrukkers, zoals u op straat loopt te loeren naar die jonge musjes van dochters! Of op uw ongezonde rondjes in het park, jazeker, ze dwalen onwillekeurig af, die natte ogen van u, puur begeertegestuurd, o, u zult weleens strak voor u kijken, u belangrijke kont, zo zelfingenomen als u me hier zit aan te gapen, met uw strakke mond, maar denkt u er toch vooral aan hoe u kijkt als er niemand in de buurt is, en er loopt zo'n schitterend schaapje over de weg! U begeert net als iedereen een mooi jong kalf maar u durft uw oude koe nog niet de weide uit te jagen. Heb ik gelijk of niet? Moet ik boeten voor uw leugens? Ik vertel hier de waarheid, zo waarlijk als ik hier sta.
Weet u wat het is, waarde onderaarskruipers. Het geval is dat er geen respect meer is. Respect voor de natuur zelf, jazeker! Ochochoch, mijne heren van de fatsoenosofie. Ze kon wel zeven keer klaarkomen. Na mekaar. Jazeker, en ik kan het weten, want ik was erbij. Ze was net een flensje. Ik kon haar omkeren hoe ik wou. En dat, mijne heren, is nu juist waar het om draait. Gewilligheid. Niet die nee-gespannen vezels die elke genieting bij voorbaat in een kleine strijd doen belanden. Ach, U kunt wel zeggen: Heeft u geen belangrijker zaken aan het hoofd, hondsvot, geile neef, maar dan vraag ik u: waarom toch zoveel respect en aandacht voor gedachtenspinsels, die zin- en zinnenloze treurigstemmers, dat geestelijke werk, al die kletsverhaaltjes vol ijdele zelfbevlekking en maar zo weinig voor de natuur zelve? Want God en Liefde nog es aan toe, ze was een brok sensitiviteit, een lijfelijk talent, een en al muzikaliteit. Natuurlijk zou ik met haar niet kouten over de leer van den acoustiek, of de kerkelijke dogma's. Ze zou haar melatonische ogen luiken en mij slaapziek aankijken, glimlachend vanaf haar warme hoofdkussen. Want wat valt er te redeneren en te kletsen met zo'n stuk natuur in je bed! Ze was de muzikaliteit zelve! Of het nou ging om de toonhoogte, het ritme, de opbouw, het contrapunt of de variatio, ze was een natuurtalent, compleet met stretto en al. Ach hoe lieflijk haar stretto in het hoge register, dat klaterende kirren. Dat meisje verstond een kunst die we hedentendage niet meer verstaan: de taal van de natuur. Het helpt jelieden niet om vandaag de dag maar een beetje met uw armen rond een boomstam te gaan staan, verliefd op de natuur. Nee, daarvoor is het te laat. U had de natuur ín u een kans moeten geven, laten stromen en volgen. Jazeker. Dat is nog eens wat anders dan dat misverstandig gemodder waar u zich thuis mee behelpt, dat geworstel rond sluitingen van kledingstukken, dat potsierlijk humoristische geklauter. Hijgend en al. Zeg nou zelf. Nee mensen, dit was een heilige zaak. Het was een en al fuga, zoals wij ons voegden en elkaar opjutten, geen wanklank, geen theatrale pauzes, geen aanstellerij, mijne heren. Zeven keer! Denkt u zich dat eens in. Een kracht dat zoiets kost. En een plezier. Ze was slap van de moeheid. En ik hoefde haar maar aan te raken of ze draaide zich. Welgevoegelijk. Dit is wel wat respect waard, heren, werkelijk. Denkt u niet licht over zulk een talent. En dat van zo'n vader, met zijn eeltige poten in zijn smidse, maar a la, het maakt me nog nieuwsgierig naar haar moeder ook, waar misschien ook enkele van deze talenten in het verborgene leven. Men moet een kenner ontmoeten om zijn talenten te kunnen ontplooien, nietwaar? Maar goed, laat ik mij nu niet teveel opwinden. Het is al treurig genoeg dat ik hier moet staan te praten en redeneren, terwijl de liefde, die heeft geen geredeneer nodig. Die heeft genoeg aan zichzelf. Ze was een heilig ding. Smakelijk. Schoon op zichzelf, niet onbelangrijk. Zoet en schoon op zichzelf. Waar vindt men, voor de duivel, nog zoiets? Mijn vriendinnetje! Heb ik geen recht haar te vergelijken bij de paarden aan de wagens van de Farao?
Om mijn pover betoog af te sluiten, waarde heren van de moraalslavernij, ik zie heus wel wanneer ik raakschiet en wanneer niet, en u zit al op uw klok te kijken, alsof niet ongeduld de hoofdzonde is van de liefde, maar aldus, om mijn betoog af te sluiten en kracht bij te zetten, zal ik afsluiten met enige regels uit het lied der liederen, die waar mijn schitterende smidsdochter over gebogen zat op kathechisatie, de essentie, mijne heren kontkruipers en duisterknijpers, opdat u, net als ik, eens de kans zult krijgen om God in zijn waarlijk Koninklijke Aanschijn te mogen aanschouwen, dat bid ik u, want liefde en schoonheid is er voor allen, meer dan genoeg en strekkend tot leven en licht. Men moet zich er een klein beetje op toeleggen, het wat aandacht geven, ik leg het u nog weleens uit, kom maar eens naar de Heilige Kathegese op den zondagochtend, zodra u mij vrijgesproken heeft. Maar niet naar de Appeltjesmis, mijne heren vuilakken, want aan deelname daaraan is een leeftijdsgrens gesteld, men moet niet elke vijver verzieken, nietwaar?
Maar goed dan, laat ons bidden, alhier, dat u zich nog heden zult bekeren en overgeven aan de liefde, die een grotere waarheid is boven u en mij en ons allen tot in de eeuwen der eeuwen...
Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao.
Zie, gij zijt schoon, mijn liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede.
Amen. Basta.
Brabant Literair, jan 2008