Psalm 23
Psalm 23
Psalm 23
"O, that thou shouldst give dust a tongue
To cry to thee
And then not hear it crying!"
George Herbert (17th century)
I
Ik moet u waarschuwen, beste parochiaan, die nu deze memoire begint te lezen, dat het anders kan zijn dan eerder werk dat u wellicht van mij kent. Wellicht kent u mijn werk als geconcentreerd, gestructureerd, nauwlettend geregisseerd, ik som hier slechts enkele kwalificaties op van eerder in landelijke dagbladen afgedrukte beschouwingen. Misschien zult u verrast zijn zulk een grillig schrijven, zulke populistische en/of grove woorden en vooral zulke zangerige liederlijkheid gebezigd te zien door mij, die zich tot op heden nooit liet verleiden tot ongecontroleerde uitlatingen, die eerder zijn lul zou afhakken dan een onbesuisde gedachte of een rammelende metafoor op te schrijven, die zich altijd van het sensatieverslaafde volk heeft gedistantieerd en die zich er immer op heeft toegelegd met het scalpel van zijn ratio zijn gedachten en gevoelens te ontleden, daarbij zeker oog houdend voor de mystiek (die, als strontlucht uit stront, uit een eenvoudige regel kan opstijgen), maar zonder zwerftochten langs gemeenplaatsen of drijfpartijtjes in het moeras der gevoelens of zweefvliegen door de ijle ether van de zielsvermoedens. Al die bezweringen, even allesomvattend als nutteloos, van engelkaarten tot antwoordboeken, van kerkgezang tot liedpoëzie, ik heb ervan gegruwd. Slechts de ascetische zin, in haar allesverbloemende verleidelijkheid, als een vrouw met sluier, wond mij op en vuurde mijn meest heilige onveilige driften aan. Natuurlijk won ik gezag met mijn wijze van abstraheren en analyseren. De menselijke geest een telraam, ik was van de wisse kunde de meest zekere meester, de mensen weten wel wanneer ze aan de kant moeten gaan staan en een middenpad vrijlaten, ook al begrijpen ze geen zak van wat er wordt gepreekt. Mijn kerk zat, dat spreekt, vol.
Wie kent niet mijn schitterende verhandeling van de zondeval, van de meedogeloze vervreemding van het leven en van de medemens en de daaruit zo wonderlijk wijs en mildhartig voortgekomen genade, die ik traditiegetrouw elke Pasen opnieuw opvoerde, soms zelfs tweemaal, eenmaal in de Hoogmis en eenmaal in de aposteltjesmis, waar de kinderen bijeenkwamen, elke grote kunst is geschikt voor kinderen nietwaar, en alles uit het hoofd. Godverdomme zeg, dat was een lap tekst, eerst in het Grieks opgesteld, jawel meneertje, andra moi polutropon ennepe, en daarna in vivo vertaald, op zijn première, al sprekende voor de gemeente van Aspel, alwaar de kardinaal zelf ter eucharistie voorging. Dat zijn geen kattenscheten, zenne. Jaar in jaar uit heeft deze preek zich actueel betoond, een klassiek stuk, de mensen kwamen er helemaal voor uit Richteren en verder en de blijde boodschap van de zondeval, dat God Goed is, mits vereerd met een krachtige onderdrukking van alles wat natuurlijk is, verspreidde zich sneller dan miltvuur onder mijn parochieleden en van daar onder de zoekende zielen van de streek en alras de gehele provincie.
Daarom zult u wellicht geschokt zijn juist bij mij, bij uw strenge voorganger in matigheid, zulk een wijziging van stijl aan te treffen, als werd door de duivel zelf die bezeten barokke gedachtenstroom uit mij tevoorschijn geknepen, die vuilspugerij, die dubbelhartige rotzooi! Natuurlijk kunt u altijd met mededogen proberen te duiden, uw interpretatie van God's grillige goedheid, Zijn Ondoorgrondelijk Regeren, het mededogen dat u als goed Christen zeker heeft aangeleerd als een van de Goede Werken, het is me alles een drol van kruisvormige afmeting en blij dat ik hem heb uitgekakt, want feit is nou eenmaal dat ik een agressieve dronk heb en dus apelazarus niet altijd de juiste formuleringen weet te treffen. Of zoiets. Aan te treffen.
De oorzaak van mijn stijlwending is eenvoudig: drank. Hoe alcohol ons karakter kan veranderen weet iedereen. Maar als u het zou weten in de mate dat ik het weet en het zou in die voege ook algemeen bekend worden, zoals bijvoorbeeld een ruitopstelling bekend is, of een buitenspelvalletje, een hattrick of een hangende linksbenige linksback, dan zou het gebruik ervan allang zijn verboden, van staatswege. Maar, halleluje, zulks is niet het geval. U denkt ook nog steeds dat een lekker drankje erbij hoort, u vindt de drempelverlagende werking van het spul een welkome aanvulling op uw sociale capaciteiten en u lust er wel pap van, net als ik, vooral vlak voor de vasten, als in onze streek het gezellige carnavalsfeest wordt gevierd en u gevoegelijk met zijn allen aan de stoeprand gaat staan om als vaten bier verklede boerenkarren toe te klappen in hun parade. U zuipt zich klem en bevrijdt uzelf moeiteloos van juk en teugels en naait waar u bijstaat de eerste de beste vrouw die u in de kladden krijgt en dat de hele avond door, vijf avonden lang. Als u bent uitgefeest herstelt u traditioneel veertig dagen van uw kater en de bijbehorende grappige misverstanden in huiselijke kring. U beweert dat u lamstraalbezopen niet meer wist wat u deed en daarmee is het misverstand geplaaatst en bij het binnengaan van de Heilige Hoogmis op Eerste Paasdag zijn de kwetswondjes van uw vrouw wel genezen en zit u in uw nieuwe pak boertig opgeprikt mijn hoogstaande verhandeling aan te horen van de Zondeval, God's Goedheid, en hoe de mens werd vergeven en weer zal worden vergeven, omdat Hij voor ons aan het kruis is genageld, ach, u kent het jargon. Vooral het happy end maakt van de mensen zachte klei van het soort dat De Heer moet hebben gebruikt bij de boetsering van zijn Eerste Exemplaren.
Op 1 februari MCMXCII was ik, Vicaris L.A.J. Maria, ondergetekende van deze autobiografische kroniek, aan de wandel langs de lokalen aan de Lange Heuvel. Ik moest nog een communicant inaugureren, maar het was koud en mijn pij schuurde mij aan de enkels. Ik besloot een moment van de opwarming te genieten die een mij aangenaam toeschijnend klein drinklokaal leek te bieden aan de binnen verzamelde havenlui en andere passanten, want daar was een gehos van jewelste bezig en de ramen waren er deels van beslagen en uit de schoorsteen steeg een dikke, prettig naar verbrand hout riekende wolk, witte rook als het ware, dus ik stapte naar binnen, bepaalde oorverdovende volkse muziek in.
Aan de bar werd mij vergeving geschonken voor mijn kortstondige hunkering en dat in flinke mate, ik bedoel dat er flink werd getapt en ik, uit de aard van mijn functie, kreeg het allemaal voor neowihts, voor nop, dus ik zoop me volslagen achterover, gratis is lastig remmen, en het was nog wel mijn eerste keer. Een geluk komt nooit alleen en voor ik het wist zat ik met mijn bek open als de eerste de beste dolleman kwijlend te gapen naar het kind achter de bar, dat zo volstrekt jong en onbezoedeld was, ik schatte haar veertien, de reine tijd, maar ook zo volslagen ongelukkig tussen haar lallende klanten en haar tirannieke vader, dat ik er onmiddellijk een of twee psalmfragmenten op kon toepassen, oftewel, ik voelde mij in het diepst van mijn priesterroeping opgewekt om dit arme kind, dat overigens van een verblindende schoonheid was, en daarmee alledrie de kwaliteiten in zich verenigde waartegen ik eenvoudigweg geen verweer kan bieden (U bent mijn Herder, U is de Heer, U brengt mij in een oase van groen, daar strek ik mij uit aan de rand van het water), afijn, ik was in mijn knollentuin: ze was jong en mooi en troostbaar. Ik wierp mij op haar, met vaderlijke woorden natuurlijk, wat denkt u wel, maar al met al was het einde van het liedje toch dat ik haar heb genaaid, staande achter een pluchen kroeggordijn, een oeroude carnavalsgewoonte in onze gemeente en volgens mij niet alleen hier populair. Hoe dan ook, zelfs de omstandigheden wilden niet tegenwerken, een zonderlinge ervaring, ik was dronken als een malloet, zij was overrompeld als in een ouderwets verhaal, ik een jurk, zij een rok, als dat geen spek is en kat, geen appel is en eva, geen hert en oase van groen, afijn, het leven is vol verleidingen en wie te lang zonder zit gaat vanzelf het geluk opeisen.
Zoals altijd met verslavingen openbaren ze zich eerst van hun meest innemende kant, het zijn net aanstaanden op bezoek bij hun schoonfamilie. Pas na verloop van tijd blijkt welk loeder er is binnengehaald. Dat wil ik niet gezegd hebben van mijn Monica, overigens, begrijp me niet verkeerd, ze is een hardwerkend kind, veel te lief voor deze schofterig hunkerende wereld, zo wellevend als ze haar taken uitvoert en zo magnifiek als ze pijpt, maar ik kan niet zeggen dat dat ene bezoekje van die kroeg met carnaval mijn leven niet danig op zijn kop heeft gezet. De weken daarna liep ik bepaald niet onberoerd over de Lange Heuvel op weg naar mijn communicanten en zelfs de Kardinaal van Aspel zou nog begrijpen dat ik mijzelf er niet altijd van heb kunnen weerhouden om er even binnen te stappen.
'Daar hebben we de Clerus!' riepen ze al gemoedelijk vanachter de toog en mijn glas stond al klaar, blondgetapt, en de kleine meid werd door pa uit haar slonzige slaap gesleurd of achter haar huiswerkboeken vandaan geplukt om 'de pater gezelschap te houden'. Ik voelde welzeker een bepaalde vriendschappelijkheid, die natuurlijk een of twee momenten van argwaan beleefde, vooral op het moment dat ik eens een rekening voorgeschoven kreeg, precies aan het begin van de nieuwe maand, waarop werkelijk een paar heel ongewone bedragen stonden, met name onder het kopje 'gezelschap', maar die ik vervolgens direct naar het bisdom liet sturen, waarna de vriendschap niet alleen weer compleet was, maar zich zelfs verdiepte. Monica bleek nog een zus te hebben, die overigens helemaal niet op haar leek, maar dat is niet zo gek voor aangenomen kinderen. Die kroegbaas had er wel een stuk of zeven, de goedbloed, bleek toen we elkaar wat beter leerden kennen. Vanaf dat moment zag ik de ondersteuning die hij genoot via de rekeningen van mijn regelmatige bezoeken als een van de belangrijkste Goede Werken die de Heer mij op het nederige pad had gebracht. Elke dag klom ik weer die barkruk op, zette een kruisje op het voorhoofd van de kroegbaas of zijn dochters of bij afwezigheid op mijn glas bier en vatte mijn Goede Werk aan.
Op een dag bereikte mij het bericht van de Kardinaal. Hij ontbood mij op een audiëntie op het parochiaat te Aspen. Toen ik de rekenigen zo eens bij elkaar zag, in een keer allemaal getoond, (ze zaten aan elkaar geniet), begon me wel iets te bekruipen van een soort onheilsgevoel. De leuke tijd van de verslaving was kennelijk voorbij, we kwamen nu in fase twee. Elke verslaafde weet dat de ontkenning sterker is dan hijzelf, maar geldt dat eigenlijk niet voor alle mensen? Leven we niet allemaal in ons eigen zelfbedachte succesverhaal? Alleen onze curriculi al. Je kunt zo zien dat de waarheid van zo'n opgeblazen lijstje moet schuilen in de weggelaten onderdelen, daarvoor hoef je geen latijns te hebben gehad. Vooralsnog schuilt er meer waarheid in fictie dan in een curriculum vitae, het is niks nieuws, maar mijn leugens waren niet alleen sterker maar ook veel slimmer dan ikzelf. Ik kon er moeiteloos in mee, in die prachtige wereld. In dat opzicht loog ik dus niet echt. Ik vertelde vol vuur van mijn Heilige Missie, van mijn jeugdige en ongerepte Monica, bepaalde details liet ik onnavolgbaar weg, heel vanzelfsprekend eigenlijk, zo klopte het allemaal zelfs een stuk beter, zoals ik het vertelde was het gewoon logisch, ja, precies, het was ook zo gebeurd! Precies zo! De overtuiging in mijn stem trof mijn emoties, elke zuiplap is er gevoelig voor, en alras was mijn geroerde masker precies het juiste requisiet voor mijn gloedvolle betoog. Die kinderen, dat kind, pars pro toto, werd door mij onderhouden, ik gaf van wat ik had aan de minderbedeelden! Mijn protégé's te zien opbloeien, hun luister te zien stralen, was mij al beloning genoeg, mijn herder is de Heer, het zal mij nooit aan iets ontbreken! Zo lulde ik me er vurig uit. Maar niet alleen dat, ik had een van Kardinaalswege gestempelzegeld certificaat dat mijn exorbitante uitgaven officieel maakte en een flinke verhoging van mijn eigen toelage, die voor mijn eer wel degelijk plezierig was maar vooral voor mijn nu toch al rijpende alcoholverslaving, die zich er scrupuleloos aan laafde. Toen de Kardinaal een paar jaar later eens zelf kwam kijken naar de Goede Werken die ik deed trof hij mij toevallig, of eigenlijk in die tijd niet meer zo toevallig, apelazarus aan op mijn ondertussen vaste barkruk, mijn ene hand met twee vingers tastend in de lucht, halverwege een bestelling, terwijl mijn andere hand een kruisje probeerde te zetten ergens in de bh van Monica, die daarom schaterlachte. De Kardinaal schaamde zich blijkbaar zo voor zijn uitermate pijnlijke blunder om jarenlang het bordeelbezoek van een verslaafde Vicaris te hebben bekostigd, dat hij terug naar Aspen reisde, daar de zaak verzweeg, een lulverhaal ophing aan zijn meerderen en de boel liet voor wat zij was. Absolute, Amen.
Ondertussen was ik in fase drie aangekomen. Dat was jammer, het werd steeds jammerder, want toen kon ik niet meer naaien. Drank maakt impotent, dat weet iedereen, tot je het meemaakt. Dan weet je pas wat die woorden zeggen, hoe ze je genadeloos terugslaan je verleden in, en je met hijgerige wanhoop de steeds verder verflardende herinneringen laten najagen, een steeds onwezenlijkere wereld (heb ik dat ooit beleefd? Heb ik ooit een meidje van veertien staande achter een pluchen gordijn genaaid? Was ik dat? Of heb ik dat in zo'n film gezien soms?), totdat je uiteindelijk alleen nog maar kan haten, met een ingekankerde verongelijktheid die je verder alleen bij echtelieden ziet, een gebied waar ik Goddank nooit iets mee te maken heb hoeven hebben. Maar goed, die haat dus wel, tegen alles en iedereen, en vooral natuurlijk tegen alles wat jong is en ongerept. Niet echt de juiste mentaliteit voor een herder van mensen, met name jonge mensen, zoals mijn beschermzusjes, en het gezuip op die barkruk incubeerde die tot dan toe sluimerende inplant tot een grimmige gesteldheid. In plaats van haar gewoon achter ons gordijn te naaien nam ik haar mee naar boven, naar een van de peeskamers en sloeg haar tegen de grond. Geen mooi hoofdstuk, deze tijd, maar ook deze drift was, net als de leugen uit fase twee, groter en ook weer slimmer dan ikzelf. Het wond me dan toch nog op, even, en in de tijd dat ze nodig had om kreunend bij te komen van de klap, had ik haar al gegrepen en mijn ding gedaan en kon ik mij met gemengde gevoelens, denk niet dat een schoft geen gevoelens heeft, op mijn barkruk weer aan het zuipen zetten.
Natuurlijk was het de kroegbaas ook al opgevallen dat Monica met kneuzingen en schrammen rondliep, dus hij gooide de prijs een flink stuk omhoog, dat merkte ik wel aan de Kardinaal, die mij ten tweeden malen in Aspen ontbood, maar nu in het grootste geheim, gebruikmakend van een speciale gezant. 'Man, je zult jezelf het graf inzuipen,' sprak hij geschrokken bij ons wederzien maar ik had juist een te dikke tong om hem te bedanken voor zijn bezorgdheid en hem te verzekeren dat met mij en mijn Herders Werken alles in Gezegende Orde was, dat ik weldra hoopte mijn kleine stal van geredde schapen nog wat uit te breiden, omdat ik had vernomen dat mijn goede vriend opnieuw een paar weeskinderen ging adopteren, en dat ik, uiteraard geheel in de lijn van het bisdombeleid van de afgelopen jaren, vurig hoopte op inhoudelijke en ook vormvaste ondersteuning, zodat ik mijn rekeningen rechtstreeks naar het bisdom kon blijven laten sturen, maar ik had zoals gezegd een iets te dikke tong om de frases mijn bek uit te krijgen, dus zweeg ik maar. Ook lazerde ik van mijn stoel, maar dat kwam omdat ik mijn hoofd te rusten wilde leggen voor ik erachter kwam dat er geen bar was om op te leunen. Ik lazerde dus naar voren, eigenlijk was het niet meer dan tuimelen, ongelofelijk traag trouwens, waardoor ik het marmeren tafelblad dat midden in onze geheime spreekkamer stond al een hele tijd aan zag komen voor ik er met mijn volle verstand tegenaan sloeg. Ver in de verte hoorde ik een koffiekopje aan gruzelementen slaan op een stenen vloer. Dit was de gong voor de vierde en tegelijkertijd meest treurige fase van mijn verslaving.
Ik bevond mij in een groot wit bed, op een prettige eenpersoonskamer. Er lag een mooie ingebonden bijbel op mijn nachtkastje en er kwam gedempt licht binnen door de prachtig witte vitrages voor de ramen, die de genadige stilte van de ruimte zijn gewijde atmosfeer gaven. Ik zou mij zo hebben overgegeven aan de weldadige rust en zou mij heerlijk in de bijbel hebben vastgebeten, als niet een bonkende koppijn mij ertoe noopte uit mijn bed te sluipen en ergens, in dit geval uit de toilettas van een of andere van zijn operatie herstellende langslaper, een fles eau de toilette te ratsen om die met trillende vingers achterover te slaan, kokhalzend, want het was werkelijk te smerig voor woorden, dat zoete brandende gif, maar ik zei al eerder: de aandrang was niet alleen sterker dan ik, maar ook vele malen slimmer. Wie komt erop om een fles eau de toilette leeg te zuipen. Maar het werkte. Ik hield mijn koppijn en ook een snijdend opvlammende misselijkheid bleef zich in mij roeren, urenlang, na elke gekaapte fles opnieuw, soms een dag lang, maar het trillen ging weg en ik werd rustig. Op de vierde dag van mijn verblijf in het ziekenhuis vond ik een fles spiritus, in het gootsteentje van de verdieping. Nu had ik een voorraadje! Geheel in mijn eentje stond ik op mijn blote voeten in het donker mijn vondst te vieren en ik danste op en neer op mijn broze poten, in mijn hoofd twaalf klauwhamers en mijn ingewanden in brand. Op een of andere manier had ik wel door dat de weg uiteindelijk een steiler wordend pad naar beneden was, maar het leek wel alsof niet ik, maar een ander daar stond te dansen en juichen, een of andere vieze stinkende klotepriester, met zijn onverzorgde vette haarslierten, zijn ongezonde plukkerige baard maar vooral met die opgeblazen kop en rooddoorlopen ogen van de spiritus sanctus, met een habijt smerig van het vallen en knoeien en klaarkomen en met de geroeste sporen erop van de bloedspatten van mijn Monica. Het maakte me agressief, die stinkende zwerver daar te zien afdalen, zo langzaam als alleen een priester een berg kan afdalen, zo verzonken in talmachtigheid. Godverdomme zeg, ik had zin om een handje te helpen en hem die afgrond in te trappen, hupsakee, over de gruizige zandkorrels met zijn stoffige sandalen. Deze ongemakkelijke dubbelheid zou een vriendelijk parochielid met gemak uittreding kunnen noemen, waarmee alweer opnieuw een verschijnsel verklaard en ongevaarlijk zou zijn gemaakt, ware het niet dat ik werkelijk letterlijk in mijn pij scheet van angst bij het ontwaren van zoveel mezelf en de daarbij naar buitenkolkende gevoelens van afgrijzen en haat. Of het nou een algemeen verschijnsel is bij alcoholisten of niet, dat kon mij nu toevallig geen ene reet schelen. Ik wilde alleen maar die vieze smerige rioolrat van een Vicaris de grond intrappen en kreeg daartoe ook allerlei influisteringen, vooral als ik voor de spiegel durfde te gaan staan. Godju, wat een verwarrende fase was dat, er was met geen spiritus tegenop te zuipen en op het laatst vond ik mijzelf min of meer terug, aan vier riemen vakkundig vastgezet aan de ijzeren gedeelten van mijn vooroorlogs kwaliteitsziekenhuisbed. Ze hadden me er vier dagen moeten laten liggen voor mijn angsten waren verdwenen, uitgezweet tegelijk met mijn fysieke alcoholbehoefte. Koude kalkoen, werd de behandeling daar genoemd, maar eerlijk is eerlijk: mijn hoofdpijn was weg. Alleen mijn ingewanden bleven branden, maar dat zou nooit meer overgaan, werd mij beloofd. Ik mocht al van geluk spreken dat ik überhaupt nog ingewanden had. Dit inzicht bracht mij bij de laatste fase van het eerste hoofdstuk van mijn alcoholverslaving, voor u, schapig parochilid, zo waarachtig als een verslaafde zijn kan opgetekend, opdat u er uw en andermans voordeel mee zult doen en het u kan helpen bij het uitvoeren van uw Goede Werken, zoals ik de mijne heb mogen doen. Ik kan u natuurlijk niet beloven dat u ook zo'n fijne gratis tijd in een bordeel zult mogen beleven, maar ook voor u zullen er vast fijne dingen kunnen gebeuren, ik ben ervan overtuigd. Als uw geloof maar standvastig is en heel uw ziel is ingesteld op het doen van de Goede Werken.
Dan zal ik u nu verder vertellen van mijn laatste fase van het eerste hoofdstuk van mijn drankverslaving. De acceptatie. Je moet nuchter zijn om jezelf te kunnen zien zoals je bent, zoals je geworden bent wellicht. Dat is niet lastig te begrijpen, maar voor een zuipzieke wel lastig om ten uitvoer te brengen. Vastgebonden aan vier stevige leren riemen echter valt er weinig te zuipen en niet zuipen leidt onherroepelijk tot nuchterheid, er is geen speld tussen te krijgen. Wat ik ook probeerde, mijn eloquentia, woedend gegil (ben ik dat? Zo hoog?), onophoudelijk rukken aan de riemen tot het bed door de kamer wankelde, bijten, grommen, ik kwam niet los, en de verplegers leken peterselie in hun oren te hebben gestopt. Er was er geen die mij los wilde maken, ze reageerden niet eens! Er ontwaakte in mij een razernij, een Odysseïsche storm, die ik niet voor mogelijk had gehouden als ik er niet zelf omheenzat! Even hebben een paar verplegers nog min of meer op me moeten zitten om me, volgens eigen zeggen, te behoeden voor verwondingen, maar toen was ik dan ook eindelijk gebroken. Tjongejonge zeg, ik jankte en jankte, zoals ik alleen mijn Monica nog maar had zien janken, na onze eerste keer, maar dat is echt de enige keer in mijn leven geweest en ik heb toch al behoorlijk wat ongelukkige mensen getroost, nee, het was uitzonderlijk, dit volslagen breken van mijn wil. Een wonder, als je niet beter wist. De Kardinaal troonde mijn ziekenhuiskamer binnen in zijn witte feestjurk als God zelf en hij ving het psychologengesprekje met mij aan. Ik deed precies wat van mij werd gevraagd. Dat deed hem goed, zo'n gewillig schaap had hij nog nooit geleid, niet eens op een trouwtje! Ja, ik ben alcoholist, deed ik deemoedig. Nooit meer mag ik ook maar een druppel drinken, of het hele circus zou opnieuw beginnen. Voor nu was ik gered. De Heer had mij gespaard. Hij had mij begeleid en geleid door de diepste diepten van mijn zondeval tot hier, tot dit gelouterde punt in mijn leven, dit nieuw begin. Ik zou opnieuw beginnen, met het werkelijke leven diep in mijn ervaringsransel opgeslagen. Moge mijn leven tot wijsheid worden en velen behoeden voor de afgrond, Heer, zo bid ik U. Dat ik de Goede Werken mag aanvangen zoals U ze heeft bedoeld. En ik zong een psalm: Mijn Herder is de Heer, Hij brengt mij in een oase van groen, daar strek ik mij uit aan de rand van het water. Daar is het goed rusten.
Ik kom weer tot leven, dan trekken wij verder. Vertrouwde wegen, Hij voor mij uit.
II
Hij voor mij uit, dat is natuurlijk overdrachtelijk. In werkelijkheid ging er niemand voor mij uit, toen ik de deur van het Ziekenhuis van Aspen uitstapte, maanden na mijn intrede. Ik was aangesterkt, rustig, iets aangekomen zelfs en belangrijk: vrij! Vrij van drank, vrij van de demonen die mij hadden bezeten. Een nieuw leven floot mij tegemoet in de gestalte van een vinkje op een boomtak. De zon scheen ook overdadig, of nee, het regende, maar toch was het warm. Ten minste binnen, in die altijd behoorlijk heet opgestookte kroeg waar ik mijn vrienden ging begroeten. Ze waren allemaal blij me weer terug te zien, zo gezond. Monica naaide ik op onze vaste plek achter het pluche en een drankje sloeg ik niet af, natuurlijk. Men mag ascese belijden, maar men moet ook weten te genieten op zijn tijd, op Zijn tijd, het is niet minder dan een uiting van dankbaarheid en nederigheid om je eens van die kant te betonen. Gewillig voor het Werk van de Heer. Afijn, u raadt het al, lieve lezer, trouwe parochiaan. Het kostte me nog geen half uur om al het noeste missiewerk van mijn vriendelijke Kardinaal teniet te doen en mijzelf weer volledig te hervinden: apelazarus, impotent en kwaadaardig. Monica zat te zeuren en wilde niet met me naar boven. Ze wilde dat ik haar er extra voor zou betalen, niet haar baas, maar haar rechtstreeks. Ik gaf haar een schop tussen haar ribben en maakte dat ik wegkwam, uit die verdorven hoerenkiet, met die ontaarde klotehoeren, hoe kon die mentaliteit zo snel zijn verdorven geraakt?! Ik zocht wel een ander plekkie!
Bunker Hill, feb 2008