Oorlog en vrede

 

Oorlog en vrede

 

Dat judo geen sport voor mij was wist ik al toen ik elf was. De stinkvoetenlucht, de zwetende en op mijn leeftijd veelal naar pis stinkende tegenstanders, die zure witte pakken, het kwam wat al te dichtbij voor mijn ietwat beschouwelijke om niet te zeggen aanrakingsschuwe aard. Liever blijf ik onopvallend aan de zijlijn met open vluchtroutes dan zo midden op de mat. Een zekere afstand past nou eenmaal bij me. Afstand is vrede. Zo denk ik tegenwoordig en zo dacht ik ook al toen ik elf was. Het verhinderde me overigens niet om al op die jonge leeftijd de blauwe band te halen. Afschuw van geweld en confrontatie vuurt soms precies de juiste agressie aan om een tegenstander genadeloos te kunnen vloeren, daarvoor hoeven we maar naar dierenbeschermers en meer van dat soort agressieve geweldlozen te kijken.

Wat niet alleen ik, maar ook mijn klasgenoten op elfjarige leeftijd al wisten was dat vrede het echte leven niet is. Vrede, dat was het in de klas, waar potige meester Kladden surveilleerde, op zijn qui-vive als een VN-soldaat, zijn zintuigen alle kanten op. Hij was een nogal gespannen figuur, potige meester Kladden, zich voortdurend bewust van een mogelijke aanval in de rug, zo stapte hij tussen de tafels rond, ons beloerend en met plotselinge hoofdwendingen aan zijn blik prikkend. Hij was altijd ongewapend, dreigde hij voortdurend. 'Alleen deze,' zei hij dan en keek met een zekere melancholie naar zijn knuisten. 'Alleen deze...' Daar moest hij, als we zijn verhalen mochten geloven, menig raddraaier mee tot de orde hebben geslagen.

Het echte leven, dat was oorlog en die werd gevoerd op het schoolplein, dat moge duidelijk zijn. Speelkwartier heette die levensgevaarlijke twintig minuten buiten het schoolgebouw. Warlord was mijn klasgenoot Hennie te Raas, een kolossale jongen die naar men zei wel vijf keer was blijven zitten. Kijk, zoiets oogst respect in de tribale verhoudingen die kinderen onderling hebben.

De sociale samenstelling van onze school was zo dat al mijn klasgenoten naar de LTS gingen, voorloper van het VMBO, behalve een enkele bolleboos, Murf Ludden, een ziekelijk magere jongen met een haakneus die hem het spreken zonder snuiven onmogelijk maakte en een bril die zijn angstige ogen nog wat kleiner deed uitkomen, van wie men fluisterde dat hij misschien wel naar de Mavo zou gaan! Zijn reputatie was onmiddellijk die van underdog, dat spreekt, en het gebeurde dan ook niet zelden dat Hennie te Raas juist hem verkoos om zijn vechttechnieken op te demonstreren.

'Jou ga ik vatten,' sprak hij zijn vloek dan uit, fluisterend tussen zijn tanden, net als meester Kladden de andere kant op loerde. In de pauze zag het er dan als volgt uit: Murf op zijn rug, zijn bril gebroken en verbogen naast hem, bloedend uit zijn neus, - hij bloedde nogal snel uit zijn neus vertelde hij mij weleens, waarbij hij voorzichtig dat enorme reukorgaan bevoelde, een gebaar waarvan de herinnering mij nu nog een wee gevoel geeft in mijn maag. Hij had Engelse ziekte gehad, wist ik, een aandoening vanwege gebrek aan zonlicht, vitamine D. Te weinig kalk in de botten, teveel kraakbeen, iets wat zijn neus misselijkmakend bewees. Deze licht- en mensenschuwe jongen was het dus die altijd onderop lag. Hennie zat bovenop en beukte triomferend in op zijn gezicht, op het ritme van het door alle andere kinderen gescandeerde 'He-hup! He-hup!' Het scanderen was tevens signaal aan kinderen van andere klassen op het schoolplein om toe te snellen en met zijn allen het cordon te versterken dat de toegesnelde meesters moest beletten om snel het slachtoffer te bereiken. Om eens een vergelijking te maken: tijdens de schaarse en povere muzieklessen, waarbij meester Kladden zijn vuisten woest over zijn gitaarsnaren uitsloeg, heeft men ons nooit zo luid en spatgelijk samen horen zingen, des meesters gedreig en geloer ondanks, als bij een gemiddeld opstootje op het schoolplein. Het echte leven is nou eenmaal het echte leven, wil ik zeggen, en het onderwijs is maar een opgelegde vrede, die gist en stinkt, we hoeven maar om ons heen te kijken om te zien hoe dat wel moet uitbarsten in volkenmoord en massaslachting, terwijl een goede tribale verhouding juist evenwicht brengt en zelfs plaats laat aan degelijk muziekonderricht.


Dat ikzelf als enige van mijn klas naar het gymnasium zou gaan wist toen nog niemand, ik incluis, maar ongeweten was ik mij, Murf indachtig, bewust van het levensbelang van een bepaalde intelligente onopvallendheid. Daarbij paste nu eens precies de opleiding die ik genoot in het edele judo. Bij die intelligente vredessport hoorde het namelijk om niet met haar krachten te pronken, maar ze onopvallend te houden en in mogelijk compromitterende situaties afkerig te zijn van het aanwenden ervan. Judo was een verdedigingssport, zo heette het, en een mentaliteit van afkeer van geweld paste daarin. Zo'n mentaliteit ging in de tijd waarover ik spreek zelfs door voor Japans, wat vreemdgenoeg een ander woord was voor ingehouden, beheerst. Maar misschien leert de geschiedenis ons wel dat dat ook precies de kenmerken zijn van ware wreedheid.

Hoe dan ook, ik hield mijn judo-opleiding strikt geheim, want zo gaat dat in tribale levensgemeenschappen, men conformeert zich aan de ongeschreven groepsregels en houdt zijn eigenheid, het woord zegt het al, bij zich. Zij die daar onhandig in zijn of wier eigenheid simpelweg niet geheim te houden is, omdat de kenmerken ervan bestaan uit in het oog springende uiterlijkheden, zoals een bril, een ziekelijke bleke gelaatskleur en vooral een extreem lange eenvoudig tot bloeden te meppen kraakbenige neus, luiden daarmee hun eigen meermalige doodvonnis in. Zoiets is te betreuren, maar niet te veranderen. In het echte leven bestaat er nou eenmaal geen vrede. Ik hield mij dus zo gedeisd mogelijk en volgde ongeweten in de judoschool van Pim Smit de befaamde, aan de overkant van diezelfde Barrierweg als waaraan die tuigschool zat waar ik schoolging, de schone lessen in de o zo edele Japanse verdedigingssport. In diep geheim was ik al tot de blauwe band gekomen, wat voor ingewijden duidelijk maakt: de wurggrepen.


Van alles wat dat judo bleek te zijn, het getrek en geworstel, het veel te dicht bij een ander staan, gehijg en vooral de penetrante zweetvoetenlucht die in de mat gemarineerd zat, het bleek vooral een sport in de serie 'wie niet sterk is moet slim zijn'. De kracht van de tegenstander in zijn nadeel gebruiken, was het adagium van deze Pim Smit en dat adagium droeg hij op ons over. De aanstormende aanvaller op je af laten komen, naar achteren vallen en hem in zijn eigen denderende vaart over je heen trekken is een van de bewegingen van hem die me nu nog helder op het netvlies staan gebrand. Die oude man, een beetje aap-achtig gebogen, altijd met de rood/wit geblokte ereband, de zevende dan had hij, een band die alleen aan de allerjapansten werd uitgereikt... De tactieken erna, van houdgrepen, via arm- en beenklemmen tot aan wurggrepen maakten de verrassingsactie doelmatig af, dat wil zeggen, zonder kracht, met een overtuigend klemvast. Het afmaken van de tegenstander hoorde niet in het sportkader thuis. Je klopte af, of de scheidsrechter gaf ippon - tien punten, of waza ari - vijf, je ging op je eigen rand van de mat staan en boog elkaar respect toe. Judo was dan ook geen aanvalssport, maar een verdedigingssport.


Iedereen die net als ik in een tribale omgeving is grootgeworden zoals een sloppenwijk, een machostam in de vlakten van Kenia of tussen bepaalde moslims, of in mijn geval op de katholieke lagere school Pastoor van Ars aan de Barrierweg in Eindhoven, weet dat 'bijdehand zijn' zijn doodvonnis kan inluiden, of in de woorden van Hennie: 'Jou ga ik vatten...' Zo gedeisd als ik mij hield, het kon niet voorkomen dat ik er een enkele keer toch iets uitflapte wat als bijdehand werd beoordeeld. Dan gebeurde het ook mij dat Hennie zich, ongezien door potige meester Kladden maar gezien door de hele klas, omdraaide en zijn gevreesde uitspraak: 'jou ga ik vatten' over mij affluisterde. Dat grote lijf achter zijn te kleine bureautje dat zich langzaam helemaal omdraaide en dat gefluister tussen zijn tanden. Daarbij wees hij met zijn dreigvinger op een manier die hij van zijn vader moest hebben afgekeken. Die kerel kenden wij allemaal. Hij was een beroemdheid, vooral sinds die keer dat hij eens naar school was gekomen. De aanleiding daarvan was een nominaal vechtpartijtje, waarbij meester Kladden Hennie nogal hardhandig van Murf had afgetrokken en zijn arm op zijn rug had gedraaid. 'Ga mijn vader halen! Ga mijn vader halen!' schreeuwde hij zijn vriendje toe, Alex, zijn vaste assistent, die zich omdraaide en spoorslags de schoolpoort uitrende. Vader, lichtontvlambaar als in een genetisch perfecte lijn, om niet te zeggen door inteelt klonisch identiek, stapte onmiddellijk op het hulpgeroep van de elfjarige de deur uit en ging mee. Tijdens de stierlijke wandeling van diens huis naar school naast het opgewonden meestruikelende elfjarige ventje belde de moeder van Hennie nog naar de meester: 'Pas op. Mijn man komt eraan en hij weet niet wat-ie doet!' Potige meester Kladden, tevreden over zijn knuisten die zojuist nog het schoolplein hadden bevrijd van de tribus suste haar goedertieren. Ze zouden een en ander wel bespreken, het was juist een goed moment om vader eens op school uit te nodigen. Hij deed zelf de voordeur open, met zijn meest verzoenlijke glimlach. 'Dat is hem,' moet het vriendje hebben geroepen, waarop de ouweheer onmiddellijk, nog voor een woord was gesproken, op volle kracht zijn vuist midden in het gezicht van potige meester Kladden ramde. Het mag aandoenlijk heten hoe een vader voor zijn zoon opkomt, zijn Hennietje, wier arm zo gemeen was verdraaid door die gemene meester, maar toen een en ander wat betijde en het alsnog tot een gesprek kwam, potige meester Kladden met een zakdoek beurtelings oogkas en lip deppend, kreeg Hennie er toch nog geweldig van langs, die knaap, op de inmiddels ook aan de lezer vertouwd geworden manier. Dat daarna dus alsnog de rede intrad kan allemaal wel zo zijn, maar wij kinderen van deze door en door verrotte tuigschool zongen nog wekenlang 'Laat je nou niet bij je Klad-den pak-ken,' op de melodie van een bekende carnavalskraker en, ik zei het al eerder, behoorlijk goed op volume en toon. Potige meester Kladden had nog een hechting in zijn lip moeten gaan halen, wat volgens sommige beschouwelijken onder ons moest hebben betekend dat de vader van Hennietje meerdere malen op het gezicht van de meester had geslagen, en wij allen zagen daarbij Hennietje voor ons, bovenop Murf, en plaatsten daar in onze verbeelding die kerel in, en voor Murf in de plaats kwam potige meester Kladden. Zoals de ouden zongen. Hé hup.


Tot die tijd had mijn tactiek bij de sporadisch over mij uitgesproken doodvonnissen 'jou ga ik vatten' bestaan uit zo snel mogelijk wegrennen. Mijn afkeer van geweld gaf mij een enorme adrenalinestoot zodat ik rende als een struisvogel en nooit werd gepakt. Van Hennie was bekend dat hij niet kon rennen, zijn vuisten deden het pas als hij je vasthad, of als je zelf door bijvoorbeeld een overmaat aan kraakbeen waar botten horen te zitten, onmachtig was om weg te rennen. Hij kreeg mij dus nooit te pakken, tot die ene keer dat hij ineens ook min of meer tactisch werd en een paar assistenten op strategische plekken op het speelplaatsslagveld had weten te positioneren.

De hele situatie werd zeer judobegeesterd, want bewees enerzijds mijn zo hard mogelijk wegrennen ten nadele van Hennie te Raas wel degelijk eer aan de edelheid van het machtige judo, zo onaangewend als ik haar krachten liet, nu ontstond anderzijds de door de beoefenaars van deze meditatieve mentaliteitssport zo gemeden en door het publiek zo geliefde situatie van rug-tegen-de-muur, in mijn geval niets meer dan letterlijk. De getergde held heeft geen andere uitweg meer dan zijn geheime krachten aan te spreken, tot absoluut overrompelende verrassing van de tegenstander en juichend genoegen van het immer sensatiebeluste publiek.

Ik was al langs Hennie zelf geslalomd en ook langs een ander traag LTS-jongetje, maar op dat moment kwam vlak bij de schoolpoort ineens Alex tevoorschijn, de kleine en vurige assistent van Hennie. Hij versperde me de weg waardoor ik rechtsomkeert moest maken en opnieuw recht op Hennie af moest. Die gooide zijn vette been uit en probeerde me te laten struikelen. Omdat ik zag wat hij wilde doen tikte ik dat been onder hem vandaan, ko soto gake, de kleine buitenwaartse beenhaak. De aanval van de tegenstander veroorzaakt zijn eigen onbalans, die je maar hoeft te versterken: een klein rukje of in dit geval tikje met de voet tegen het in de lucht hangende been van de ander waarop hij zijn gewicht net wilde laten neerkomen, was genoeg om hem plat op zijn gezicht te laten gaan. Oeps. Ik schrok er zelf zo van (als de onvermoede krachten in ons worden aangesproken zijn we zelf de eersten die stom staan van verbazing) dat ik een moment stilstond. Precies lang genoeg voor het toch niet zo trage LTS-sertje om mij een flinke duw te geven die me tegen de schutting deed belanden, pal voor de voeten van de inmiddels woedend opgescharrelde baas. Dat die nu vooral zijn eer ging redden tegenover zijn gniffelende ons insluitende vriendjes was begrijpelijk, want zo gaat dat onder tribale vrienden, men eert alleen een heer die men vreest. Hennie moest zijn gezag terugwinnen. Juist wilde hij zijn woedende vuist op mijn gezicht stukslaan toen ik plotseling, shime-waza, o heilige Pim Smit, een wurggreep paraat bleek te hebben, waarmee ik zijn jaspand aan de bovenkant vastgreep en over zijn keel tegen de schutting drukte. Hij zat klem en had geen lucht meer, precies zoals de tactiek voorschreef. In dit geval was het misschien nog iets erger, want in plaats van een mooi stevig maar zacht wit judopak te dragen droeg hij een jas met ritssluiting en die ritssluiting stond twee weken later nog over zijn vette keel, een onuitwisbare indruk dus, zoals dat eigenlijk ook zo bij judo past: de levensles.

Maar toen kwam jammergenoeg het moment dat de wijze judolessen eindigden, niet zo handig in een levensbedreigende situatie als deze. Het doel van judo is de tegenstander te onderwerpen, niet te verwonden. Maar het leek er niet op dat die onder mijn efficiënt met een hand in stand gehouden wurggreep worstelende tegenstander nu zou gaan afkloppen. Hij was met zijn vuisten duidelijk iets anders van plan, al kon hij er nu even niets mee, een wurggreep werkt nou eenmaal verlammend. In die tijd waren er nog niet zoveel films op televisie die me hadden kunnen ingeven hoe nu het leven van de vijand te beëindigen, met een goedgemikte vuistslag op het strottenhoofd of een vlijmscherp mes dat sierlijk definitief uit zijn schede werd getrokken en langs de strot van de onfortuinlijke aanvaller geflitst - ik geloof dat ons hele denkkader op dat vlak werd gevormd door Floris en Sindala, welke laatste nooit geweld gebruikte en alleen maar tactische tovertrucs deed. Daar had ik dus even niks aan, daar en toen, met die bullebak piepend en snuivend (en weer: zwetend, stinkend naar zichzelf, veel te dicht bij mij) onder mijn schitterende wurggreep tegen de schutting geklemd. Ik zag ons zo gauw niet teruglopen naar onze eigen denkbeeldige matrand en elkaar respect toebuigen en ook was er geen scheidsrechter die mij - met een Ippon - rechtvaardigheid toe kon wijzen. Dit was het schoolplein, dude, en een beginnend 'Hé-hup' begon van achter mij al walgelijk opgewonden op te klinken uit de kelen van de toegestroomde toeschouwers, hun ogen glimmend van bloeddorst. 'Hé hup! Hé hup!'

Dat die gnuivende rotvrienden van hem er nog een paar onsportieve ideeën op nahielden bleek toen ze me van achter lostrokken van hun 'vriend', (ai, toketa, de houdgreep verbroken!) welke laatste zich nu met nog meer gekrenkt gesnuif opnieuw op mij stortte, verhit door de nieuwe vernedering en het juichende 'Hé-hup!' wat toen pas in alle herkenbaarheid angstaanjagend luid losbarstte, maar belemmerd door gebrek aan de juiste scholing en daaruit voortvloeiend gebrek aan tactisch inzicht inzake allerlei basale met de zwaartekracht verbandhoudende evenwichtsverhoudingen, waardoor hij niet bovenop mij gezeten kon komen en ik achter hem wist te geraken om hem met de gevlochten nekklem, de kubi-kansetsu, onderdeel van de gewrichtsklemmen, o walgelijke zwetende vetnek, opnieuw klemvast te zetten. Jahaa! De blauwe band, mensen. Had hij Pim Smit maar gekend, die toch schuin tegenover de basisschool waar wij vochten in zijn sportschool zetelde, en in heel Eindhoven en naar men zegt nationaal en internationaal befaamd was. Maar mijn aanvaller was de spreekwoordelijke aanstormende dwaas uit de judoles, dat bleek eens te meer toen ik hem in minder dan geen tijd opnieuw met zijn vlezige roodaangelopen rotkop tegen de straatstenen gedrukt hield, mijn hand zeer tegen mijn zin in zijn vette krullende haar gevat. Dit keer was ik wel van plan, aangevuurd door eigen adrenaline, flink geculmineerd door het gevoel van onrecht en razernij vanwege de volkomen onvrijwillige nabijheid van dat smerig snotterende en kwijlende lichaam in zijn stinkkleren, om hem zijn dikke kop op de straatstenen aan gruzelementen te slaan, de voor blauwe banders streng verboden kata, golf-tegen-de-rotsen-slag, waarmee ik ook voortvarend aanving, ik trok al eerder de vergelijking met de doorslaande woede van allerlei andere pacifisten, zoals bijvoorbeeld dierenbeschermers. Er kwam heel wat los, wil ik maar zeggen. Maar nu bleek er plotseling wel een scheidsrechter paraat, in de persoon van potige meester Kladden uiteraard, die ons zeer krachtig uit elkaar sleurde, sore made - einde wedstrijd, allebei een draai om de oren gaf en mij, die hij vanwege de laatste door hem aanschouwde actie aanzag voor agressor, - bovendien bloedde het hevig uit de neus van Hennie, altijd weer een sterk beeldend argument voor de underdog, flink aan het strafwerk zette. Mijn razernij verdween in machteloos grienen, terwijl de ander jankte: 'Mijn vader! Ga mijn vader halen!'


Onnodig te zeggen dat de sociale constellatie van de tribus was veranderd. Ik deed er uiteraard weer beheerst en ingehouden het zwijgen toe en borg mijn geheime krachten opnieuw diep in mijzelf op, maar het was gezien en alles was veranderd. Het werd een rustige tijd, dat half jaar en bijna vrede, daar op ons schoolplein. Hennie had van zijn vader een flinke aframmeling gehad vanwege zijn bloedneus en hield zich alleen nog maar zo'n beetje morrend op in zijn eigen ghetto aan de schuttingrand samen met Alex en de LTS-ser. Murf en ik raakten min of meer bevriend, waaraan ik ter eigen verdediging wil toevoegen dat ik meer souverein bevriend was met hem, meer als beschermer. Ik leerde hem zelfs enige handigheden uit het judo, zoals de ko soto gake, de kleine buitenwaartse beenhaak, en liet hem zien waar precies het juiste moment zat dat het been van de tegenstander los was van de grond en onderweg naar de nieuwe stap met een klein tikje in volledige onbalans kon worden gebracht. Die techniek leek me in zijn geval wel redelijk dienstig en minder gevaarlijk dan de wurggrepen en nekklemmen, die alleen voor de blauwe banddragers zijn, die ook in mentaliteit van afkeer van geweld terdege zijn geschoold.

Niet zo tactisch van Murf en tekenend voor de noodzaak van enige intelligentie in het beoefenen van de vredesvechtsporten was het moment dat hij verkoos om zijn nieuw verworven techniek uit te proberen. Het was potige meester Kladden zelf, die rondloerend plotseling de klas in wilde stuiven om iemand met zijn vuisten tot de orde te roepen, toen Murf, gezeten aan het voorste tafeltje, met een licht tikje van zijn voet excact op het juiste moment een zeer mooie kleine buitenwaartse beenhaak uitvoerde, o wonderschone ko soto gake. Het loshangende been van potige meester Kladden haakte achter zijn staande been en met een enorme klap ging hij in zijn eigen vaart neer, waarbij hij drie tafeltjes met onschuldige meestervrezende scholieren meesleurde. De ravage was enorm en de bloedneuzen waren niet te tellen, maar Murf's timing was nog desastreuzer. Niet die vuist van meester Kladden, Murf had wel vaker een vuist in zijn gezicht gehad, en ook niet zijn voor de zoveelste keer gebroken bril of zijn bloedgutsende neus, allemaal futiele incidenten in de uitgestrektheid van een mensenleven, maar nog altijd denk ik dat Murf wel degelijk Mavo had kunnen doen, had hij de ko soto gake niet juist op potige meester Kladden uitgeprobeerd, een week voor de Cito-toetsen zouden beginnen. Ineens was het uit met dat spelletje van de cultuurlijke vrede en grijnsde de oorlogszuchtige werkelijkheid vals ons klaslokaal in. Zelfs Hennie begreep het. Hij zat te grijnzen achter zijn bureautje. Ik vraag me nog weleens af wat er van hem geworden is.

Geschreven op uitnodiging van gelegenheidsredacteuren Co Woudsma  en Hermine Landvreugd ter gelegenheid van een boekje over Vechtsport, bij uitgeverij Thomas Rap. Door laatste redactielid met een VETO (merk op: de hoofdletters) weggestemd. Oordeel zelf.

 
 
Made on a Mac

next >

< previous